Archive for the 'Uncategorized' Category

‘ik of de chaos’

OVER EEN JAAR moet hij er zijn, de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het is hoog tijd. Terwijl de uitvoering van de Vierde Nota nog volop gaande is, met honderdduizenden woningen op ‘Vinex’-locaties als meest in het oog springende opgave, dienen zich alweer zo veel nieuwe krachten aan die ‘geaccommodeerd’ moeten worden dat er sprake is van regelrechte urgentie. Nederland Distributieland wordt rijker en rijker en het geld stelt zich niet meer tevreden met het rollen door de bestaande steden, die grotendeels bepaald zijn door het traditionele volkshuisvestingsbeleid en de harde grens met het omringende platteland.

Rijkdom wordt nu bij voorkeur in ruimte uitgedrukt; dat betekent een schreeuwende vraag naar luxe woningen, vrijstaand of twee-onder-één-kap, en liefst in landelijk doch goed bereikbaar gebied. Een almaar groeiende middengroep van florerende tweeverdieners zit te zeer in de slappe was voor een huisje in de huursector, maar ontbeert toch ook net weer het miljoen dat nodig is voor het echte werk. En dus verbijten zij zich massaal bij het karige makelaarsaanbod of op de privé-veilinkjes van particuliere verkopers die alles kunnen vragen. Een nationaal probleem is werkelijk het probleem van de luxe geworden. Waar moeten al die euro’s naartoe?
Maar er zijn natuurlijk nog veel meer krachten die hun uitwerking op de ruimtelijke inrichting van het land hebben. Krachten die Nederland alleen maar kan ondergaan. Wereldwijd is het gunstige vestigingsklimaat van Nederland voor multinationale bedrijfsvoering bekend. Er is een grote behoefte aan geschikte bedrijfslocaties, in het bijzonder in de kantoorsector. Tussen werk en wonen zijn meer wegen nodig, voor al die tweede auto’s waarin gefaxt, gemaild, en vooral mobiel getelefoneerd wordt als voor- of nazorg van de gewone werkdag, of gewoon om voor een gulden per minuut de laatste restanten van menselijke relaties te onderhouden. Voeg daarbij nog al die incidentele ruimteclaims voor distriparken, shoppingcenters, meer cellen of neo-natuur, en er valt nauwelijks nog te kwaken in ons kikkerlandje.
DE VIJFDE NOTA moet het antwoord vormen op de naderende chaos en congestie. Het was een indrukwekkende rede die minister van Vrom Jan Pronk onlangs afstak aan het slot van een grote conferentie over deze Vijfde Nota. Ook al is hij naar eigen zeggen op dit gebied grotendeels een leek, hij nam toch maar meteen zijn politieke verantwoordelijkheid. Nadat gedurende de dag sprekers uit wetenschap en bouwpraktijk en overheidsdienaren van alle bestuurlijke niveaus hun licht hadden laten schijnen over de toekomst van de ruimte in Nederland, sprak Pronk een slotwoord als een ware bewindsman. ‘Ik of de chaos’, dat was het in feite. Na de voorzichtigheid van het trio Winsemius, Nijpels en De Boer in ieder geval een ongekend geluid.
De tijd is voorbij dat ‘alles, overal, altijd’ maar kon. Er moet gekozen worden voor het concept van compacte steden, aangevuld met de ontwikkeling van enige ontwikkelingscorridors daartussenin. Dat zou dan een ‘beheerste ontwikkeling’ moeten zijn, wat ongeveer wil zeggen dat duidelijk is wat wel mag en wat niet. ‘Beheersing’, ‘regievoering’, ’sturing’, ’strakker leiding geven’ - de overheid gaat er weer aan staan.
De metafoor van de corridor lijkt uitstekend te passen bij deze ambitie. Het is een oorlogsbegrip, of liever een pacificatieconcept; je ziet smalle landengtes naar open zeehavens voor je. Je ziet een gangenstelsel als een strikt bewegingscorset. Je kunt alleen voor- of achteruit. Zijwaarts is alles afgesloten. De werkelijkheid is prozaïscher.
Op de conferentie bleek hoe snel het debat zich alweer heeft ontwikkeld tot allerlei interpretatiekwesties. Onder het begrip corridor kan zo ongeveer alles worden gevangen wat onder de ontwikkeling van een stedelijke as begrepen kan worden. De een ziet niets nieuws vergeleken met de eeuwenlange ontwikkeling van de transportaders in de delta, de ander denkt meteen aan lintbebouwing. De een ziet een landelijke pendant van het Noordwest-Europese stedelijke netwerk, de ander richt zich vooral op de regionale ontwikkeling. Voor de een is het een empirisch feit dat onder een noemer wordt gebracht, de ander ziet er een heus planningsconcept in. En dezelfde verwarring vinden we terug in de discussie over het karakter van stad en stedelijkheid, over platteland en groene zones, over openbaarheid en publiek domein. Ook al dringt de tijd, het lijkt toch altijd weer alsof we eindeloos aan de praat kunnen blijven. Onderwerpen worden ‘op de agenda’ gezet, maar gaan daar nooit meer vanaf.
Omdat het concept van de corridors in ieder geval in de ruimtelijke ordening relatief nieuw is, is het logisch dat hier in de reacties op de houtskoolschets de meeste aandacht naar uitgaat. Aangezien mobiliteit een heilig gegeven (in jargon: een robuuste trend) is, vormt het leggen van verbindingen een leidend beginsel. En dan gaat het erom of dit volgens de weg van de minste weerstand gebeurt of langs lijnen van ‘een derde weg’. Met andere woorden: kan de ruimtelijke ordening méér zijn dan louter faciliteren en accommoderen, is er ook iets mogelijk ter vergroting van de ruimtelijke kwaliteit, waarin begrippen als diversiteit, duurzaamheid en menselijke schaal belangrijke factoren zullen blijken? Pronk laat zien dat hij zich het onderwerp razendsnel heeft toegeëigend wanneer hij spreekt over een Groen Poldermodel en over de sturing van de corridorontwikkeling tot veelzijdige en attractieve omgevingen die niettemin de vitaliteit van de binnensteden onaangetast zullen laten. En passant belooft hij ook reeds in de Vijfde Nota aspecten te verdisconteren variërend van energiezuinigheid en ICT tot minderhedenbeleid.
NU WE toch bezig zijn, valt er wellicht nog meer mee te nemen. Zo ligt de tweede architectuurnota alweer een tijdje in de la, Architectuur van de ruimte (1996), waarin het grote-schaalniveau als architectonische opgave wordt gedefinieerd. De operatie rond de Vijfde Nota is een uitgelezen kans om de daarin geformuleerde ambities waar te maken. Dan zou ook meteen het debat over de Inrichting van Nederland gecombineerd kunnen gaan worden met het al even levendige doch hiervan gescheiden debat over het Aanzien van Nederland. Door de inbreng van het ontwerpniveau in de veelal zeer abstracte discussie worden keuzen niet alleen scherp, maar krijgen ze ook vorm. Alleen al vanuit het oogpunt van maatschappelijke participatie zal dat een enorme winst zijn.
Dit is ook het moment om stil te staan bij de vraag wat Nederland eigenlijk zélf wil. Veel te vaak wordt de ruimtelijke ontwikkeling, al dan niet volgens een prioriteitenlijstje, gezien als de accommodatie van het onvermijdelijke. Je geeft wat kaders aan, je zoneert wat, je zet wat weg. Feiten zijn altijd voldongen feiten. Maar nu het komende jaar niet alleen het noodzakelijke moet gebeuren maar er ook tijd is voor het opschrijven van het mogelijke, kan het een keer anders gaan. Wat wil Nederland eigenlijk in het proces van globalisering? Welke speler wil het zijn, welk toevluchtsoord en voor wie?
De vraag zo stellen heeft in ieder geval drie voordelen. Ten eerste kan eindelijk de mobiliteit niet langer worden gezien als restant van ruimtelijke ordening en een van de hoofdpunten van de nieuwe ontwerpopgave worden. (Daarmee zijn we waarschijnlijk ook meteen van de benauwende term ‘corridor’ verlost.) Ten tweede zal de politieke scherpte terugkeren die in het a priori op consensus gerichte debat vaak ver te zoeken is. Ten derde zal duidelijk worden hoe zwak het nationale beleidsinstrumentarium in feite is geworden wanneer het gaat om de beïnvloeding van de ruimtelijke ontwikkeling. Want wat vooralsnog ontbreekt is de analyse van wat de wereld eigenlijk met Nederland wil. Wat dat betreft is het goed dat minister Pronk het primaat van de politiek bij voorbaat heeft geclaimd. Want één ding is duidelijk: beslissing en verantwoordelijkheid moeten dringend weer bij elkaar komen.

Boven de tijd

ALDO VAN EYCK is dood. Een monumentale figuur in de Nederlandse architectuur verliet dit leven, en opnieuw ondergaat hij de reeks onvoorwaardelijke huldebetuigingen die bij grote figuren hoort. Het betreft het soort eerbetoon dat hijzelf al eerder ondervond rond zowel zijn zeventigste als zijn tachtigste verjaardag. Uit die hulde spreekt altijd meer respect dan ontzag. Respect voor de oude meester is er wel, hij heeft niet voor niets een eerbiedwaardige leeftijd bereikt. Dat was toch kras, zo’n bevlogen architect voor wie het vak geen beroep maar een missie was. Zo iemand gaat niet met pensioen, die sterft in het harnas. Waarom zou je uitrusten als de wereld nog niet klaar met je is?

Maar ontzag ontbeerde Van Eyck vaak. Het ontzag dat had moeten leiden tot een grotere invloed van zijn werk, is hem ontzegd gebleven. Zijn oeuvre is klein en zijn standpunten over een ‘menselijke architectuur’ worden in werkelijkheid niet au serieux genomen. Integendeel. In de her en der verschenen necrologieën wordt Van Eyck steevast een humane architect genoemd, in zijn architectuur staat ‘de mens centraal’. Nog even afgezien van de onder het splijtende individualisme in onbruik geraakte retoriek over De Mens, staat de mens in de huidige bouwopgave allesbehalve centraal. Daarin gaat het namelijk om het realiseren van volume, rendementen, imago’s of absoluut unieke toparchitectuur. Voor zover het om de mens gaat, geldt het vooral diens behoefte aan herkenbaarheid, zeker niet de gebruikswaarde.
Met De Mens lijkt ook het begrip ‘gebruiker’ op de achtergrond geraakt. Daarvoor in de plaats is ‘de consument’ gekomen, een categorie waar Van Eyck van gruwde. Voor de consument bouw je geen gebouwen waarin diens wens wordt getranscendeerd tot architectuur, maar voldoe je gewoon aan diens eisen. Dat levert dan ook heel andere gebouwen op. Accomodaties, ruimtelijke faciliteiten, precies de gebouwen waartegen Van Eyck met niet aflatende verbetenheid tekeer ging.
EN DAN HET BEGRIP ‘humaan’. Het staat voor zoiets als zacht, genadig, mededogend, begripvol, dienstbaar doch ook geestelijk verheffend. Het zijn allemaal deugden die het momenteel bijzonder slecht doen in zowel vastgoedpraktijk als internationale theorievorming. In plaats daarvan wordt de aanpassing onderzocht aan het post-humanisme, het wereldbeeld dat ‘zich uiteenzet’ met genentech, digitalisering en globalisering. Terwijl Van Eyck de mens een plek wilde geven, heerst nu een voorkeur voor nomadische ruimten, doorgangsarchitectuur en transparante, multi-functionele programma’s. Evenmin humaan is de praktijk van rationalisering van bouwsystemen, de uniformiteit van procesorganisaties, de verharding van ruimtelijke grenzen in een corridormaatschappij, de opkomst van digitale netwerken met netpersona voorzien van een pseudo-identiteit, enzovoort.
Het oeuvre van Van Eyck is kleinschalig en gaat over kleinschaligheid. Of je nu spreekt over het Burgerweeshuis, de Amsterdamse speelplaatsjes, het Moederhuis of kantorencomplex Tripolis, steeds gaat het over het scheppen van een geborgenheid door het temmen van de maat, het inzetten van betekenisvolle subthema’s of het onderbreken van de rechte, oneindige lijn. Stel dit eens tegenover de internationaal florerende Bigness, de megacity’s en de bedrijfsverzamelgebouwen, de adoratie van de grote maat. Regionalisme, ad-hocisme, contextualisme, het lijken allemaal achterhaalde benaderingen, vergeleken bij de universalisering van bouwtechniek, tabula rasa planologie, logo’s en andere vormen van corporate identities.
Is Aldo van Eycks erfenis dan één groot anachronisme? Een onbetamelijke vraag wellicht, zo kort na zijn verscheiden, hoewel hijzelf de discussie ongetwijfeld ook het liefst astraal zou willen voortzetten. Debat zat hem als geen ander in het bloed. Het is aardig te zien wat Van Eyck zelf zo’n vijftig jaar geleden voor de oude garde overhad: niet meer dan ze zakelijk verdienden. In 1954 vond er, in het kader van een komend Ciam-congres, in Lasara een voorbespreking plaats waar de agenda voor de bijeenkomst in Dubrovnik werd opgesteld. Ciam, ooit het sprankelende lichaam van de internationale architectuuravantgarde, lag allang in Morpheus’ armen en het college der senatoren wilde dat blijkbaar graag zo houden, gezien hun maatregel om de junioren in de antichambre te laten wachten tot de agenda klaar was. De als architect nog piepjonge Van Eyck bevond zich in het gezelschap van het overige verzamelde ongeduld. Ze besloten niet langer te wachten maar eigen werk met elkaar te bespreken. En terwijl in de sacristie een tijdperk dommelend werd afgesloten, ontstond Team Ten, een los samenwerkingsverband met later verreikende invloeden.
De informele, anarchistische wijze waarop het tot stand kwam werd een belangrijk ingrediënt van de architectuur die eruit voortkwam. Met zijn antropologische kijk bouwde hij niet voor architectuurliefhebbers maar voor de argelozen die normaliter steeds weer worden vergast op geamputeerde architectuur, waarvan de amputatie tijdelijk in de mode is.
ANTROPOLOGIE is een vak dat bijna per definitie uitgaat van de eigenwaarde van alle culturen. Er ligt bijna vanzelfsprekend een terughoudendheid in besloten ten aanzien van het veranderen van die culturen, zeker vanuit dubieuze dominante posities. En daarmee is nog een aspect van Van Eycks unzeitgemässe architectuur genoemd. Hij ontwierp tegen dominanties in, cultureel, financieel en zeker ook professioneel.
En zo sprak hij ook. Vorig jaar deed hij nog een vlammende oproep aan de jongste generatie architectuurstudenten om in verzet te komen tegen de uitholling van het vak, ondernomen door de lieden die daar juist de grote voorvechters van zouden moeten zijn: de toparchitecten, de schoolbesturen, de onderwijsinstellingen: ‘Moet ik mij op de valreep voor mijn beroepsgenoten gaan generen? Architecten overal, studenten in Delft en elders: pik het niet langer! Al die spelbrekende onzin: breek ermee. Het is de hoogste tijd, laat het kleine muzikale woordje NEEN horen. Geef alvast je titel terug. Wij richten een landelijke vereniging van niet-geregistreerde architecten op. Vraag niet om een regenboog. Haal ‘m!’
Dit citaat tekent Van Eyck ten voeten uit. Het toont zijn bevlogenheid, maar ook zijn on-Nederlandse neiging tot polemiseren en verketteren. Als een ware inquisiteur kon hij tekeergaan tegen posts, pests and other rats. Hij had vreselijke straffen in gedachten voor de overtreders van humane waarden. Daarin was hij aanklager en rechter tegelijk. En ook in dit vermogen tot het hogere schelden onderscheidde Van Eyck zich van zijn land- en tijdgenoten.
MAAR NOGMAALS, maakt dit alles zijn werk tot één groot anachronisme? In feite gaat het helemaal niet over de actuele waarde van zijn opvattingen. Waar het om gaat is de vraag of Aldo van Eyck iets vertegenwoordigt dat boven de conjunctuurbewegingen van bouwmodes en theoretische modellen uitgaat. Of hij iets heeft bewaakt wat uiteindelijk altijd weer terug zal keren. Hijzelf dichtte zich deze betekenis zonder meer toe, wat dat betreft was hij een goeroe. Maar is zijn werk meer dan voer voor volgelingen?
Het werk van Aldo van Eyck is van een ongekende scherpte en intensiteit. Hij heeft zijn stellingen altijd met grote helderheid uitgesproken. Daarom is er nu geen tussenweg meer mogelijk. We weten niet of ‘humane’ architectuur het overleeft in de wereldorde van de global village. Het is nauwelijks nog te voorspellen welke menselijke waarden onaantastbaar kunnen worden genoemd, laat staan welke ‘menselijke’ architectuur. Daarvoor is er teveel aangetast.
Wat we wel weten is dat Van Eyck geen bescheiden plaatsje in de geschiedenis zal innemen. Hij wordt ofwel volkomen vergeten als speler in een machteloos achterhoedegevecht, of vestigt zich als een ziener die bleef hameren op de elementaire feiten van het bestaan, feiten die door iedereen vergeten werden.
Tot hun herontdekking…

Gebouwen kraken

HET MEEST kenmerkende van een standaard architectuurbespreking is haar aanleiding: er is zojuist ergens een gebouw neergezet en daar moet iets over worden gezegd. In feite is dan alles al bepaald: het commentaar gaat over de eindvorm, niet over het bouwproces; het betreft het object, niet het gebruik. Een gemiddelde architectuurbespreking is daarmee een momentopname in de ingewikkelde geschiedenis die elk gebouw doorloopt. In die geschiedenis gaat het dan bovendien uitgerekend om het moment dat het minst ingewikkeld is: de oplevering. Alle complicaties van de ontwerp- en realisatiefase zijn vergeten, alleen het formele resultaat telt. Alle complicaties die in het gebruik zullen ontstaan zijn nog niet opgetreden en kunnen dus buiten beschouwing worden gelaten.

Architectuurkritiek in dit genre is dus in feite de meest gemakzuchtige vorm van beschouwing, omdat ze het moment kiest waarop het er even niet om spant. De bouwpartijen hebben hun biezen gepakt en laten het gebouw nu aan de wereld over. Bewoners zijn nog niet verschenen en hoeven dus ook nog niet te mopperen. Het gebouw is leeg, in maagdelijke staat, en het is aan de fotografen om op het ideale strijklicht te wachten om een en ander zo voordelig mogelijk vast te leggen. Dit is het moment dat de architect zijn rondleidingen geeft, niet gehinderd door bemoeials uit verleden en toekomst.
Deze situatie levert twee soorten kritiek op. Aan de ene kant de onbekommerde projectbeschrijving, bedoeld voor de collega’s en te lezen in menig vakblad. De verschijning van een gebouw en de selectie daarvan door een tijdschrift, zijn op zichzelf al voldoende voor een rondje goed nieuws. Het gebouw staat er, en dat is altijd een felicitatie waard. Mocht er ergens toch iets kritisch op te merken zijn, dan valt dit gemakkelijk weg in de droogheid van de projectbeschrijving of in de overtuigingskracht van de foto’s die in opdracht van de architect geschoten zijn.
Aan de andere kant is er de smaakkritiek in de populaire pers. Primair luidt hier de vraag of het nieuwe gebouw mooi is. Is het een sieraad voor de omgeving of is er juist een monster gebaard? Omdat het moment van oplevering het schoonste uur van de architect is, staat deze dan ook altijd centraal in dit soort besprekingen. De ontwerper is ofwel geniaal en heeft de wereld met een juweeltje verrijkt, ofwel hij is een wrede despoot die de wereld heeft opgescheept met het afzichtelijke residu van zijn incompetentie en van zijn ongetwijfeld walgelijke smaak.
WAT DEZE oordeelsvorming vermag werd onlangs treffend duidelijk in een lezersactie van Het Parool, waarin ongegeneerd mocht worden gekankerd op de architecten, met het onvermijdelijke pleidooi voor verbanning naar de ‘hoogovens’ tot gevolg. Zo ontbeert de architectuurbeschouwing de nuance. Voor de meeste architectuurkritiek is een gebouw nog altijd in eerste instantie een ding en niet een gebeurtenis.
Beschouwingen over gebeurtenissen vergen een heel andere vorm van spreken dan subjectieve uitspraken over geslaagd of mislukt. Ze vereisen een gevoel van inleving, het vermogen tot analyse en geduldig en intensief onderzoek. Hoewel een gebouw in de eerste plaats een materiële manifestatie van ruimtelijke ordening is, zou een diepgaande bespreking wel eens vooral een kwestie van tijd kunnen zijn. Het gebouw moet de tijd krijgen, het gebruik laat zich alleen beoordelen in termen van tijd en de hele levenscyclus van ontwerp tot sloop al evenzeer. Maar terwijl iedereen weet dat de architectuur een langzame kunst is, moet haar kritiek altijd snel zijn. Dit is de paradox van de architectuurjournalistiek.
De wederzijdse afhankelijkheid van de architect en de criticus versterkt deze situatie. De architect, zelfs als hij publiekelijk wordt gemangeld, houdt in ieder geval het idee dat hij de spil van de architectuur is. De criticus houdt met de beperking tot het architectonische object het idee dat hij weet waar zijn vak eigenlijk over gaat. Sterker nog: het idee dat de kritiek een herkenbaar vak is waarin je je kunt specialiseren.
Wat dit genre onaangeroerd laat is dat de beperking tot het object niet alleen eenzijdig is, maar in feite afzijdig staat van wat er werkelijk aan de hand is. Architectuur is volledig verknoopt met talloze andere vakgebieden, waaronder enkele met minstens zo veel beschikbare creativiteit: industrieel ontwerp, informatica, civiele techniek en proces-organisatie. De architectuur die ertoe doet, tendeert naar de integratie van programma en de daarvoor benodigde ruimte, van gebeurtenis en gebouw. Architectuur communiceert zoals andere oude media, maar vormt daar ook een synthese van, terwijl ze eveneens experimenteert met nieuwe. Daarmee gaat goede architectuur voorbij aan het objectfetisjisme door in te gaan op de flux der stedelijke ervaringen. Zo kan men nauwelijks nog de grootschalige opmars van digitale media ontkennen, die nu de fysieke ruimte en stedelijke omgevingen doordringen.
Architectuur die deze processen verdisconteert en aldus de verschuivende grenzen tussen privé en publiek, tussen binnen en buiten onderzoekt, kan niet worden afgemeten aan haar aanzien als uiterlijke vorm. Het kan best zo zijn dat een op zichzelf nietszeggende vorm een programma herbergt dat op intelligente wijze begrippen als identiteit, plaats en gemeenschap herdefinieert. De schaal en diversiteit van het hedendaagse stedelijke leven scheppen problemen en tegenstellingen, die met de traditionele grenzen van de discipline architectuur simpelweg niet meer omvat kunnen worden. Laat staan door elegante vormen kunnen worden gepacificeerd. Daarvoor is het samenspel van pakweg transport, migratie, telecommunicatie, maatschappelijke fricties, het streven naar gemak en efficiency, dakloosheid en veranderende werkpatronen gewoon te groot.
WAT WEL KAN is het werken aan een stedelijke infrastructuur die het publieke leven bevordert en de snelle veranderingen die de hedendaagse stad kenmerken in goede banen leidt. Daarmee wordt het begrip infrastructuur uitgebreid met de sociale en culturele component. Architectuur faciliteert niet alleen, maar suggereert. Natuurlijk is vorm hierin nog altijd essentieel, maar het formuleren van een ruimtelijke strategie is minstens zo belangrijk. Waar het om draait is een ontwerp dat niet is gericht op het laten ontstaan van een ding, maar om het begunstigen van een publieke ervaring.
Natuurlijk is dit alles nog uiterst vaag en het is niet verwonderlijk dat velen, zowel onder ontwerpers als onder critici, geen verworvenheden willen opgeven zonder te weten wat ervoor in de plaats zal komen. Bovendien wordt gedachtenvorming op dit terrein al snel tot het abracadabra van een groepje ingewijden. Dit groepje is ook nog eens veel te herkenbaar: de leden zoeken elkaar steeds op, lezen elkaars werk, citeren elkaar, maar vinden nog nauwelijks gehoor bij een groter publiek.
Enkele gerespecteerde sociaal-geografen, zoals Saskia Sassen en Edward Soja, reizen de wereld rond en bediscussiëren bijna wanhopig de nieuwe concepties van de stad. Dezer dagen is dat circus ruim aanwezig in Nederland met een uitbarsting van studiedagen, lezingen en colloquia. Een al even selecte groep computerarchitecten onderzoekt al bijna even wanhopig de gevolgen van de opkomst van virtuele realiteit in de fysieke omgeving van alledag.
De wanhoop zit hem in het feit dat bijna iedereen zich deze vragen nog altijd stelt vanuit een bepaalde discipline, een bepaalde opleiding, een bepaalde beroepsactiviteit. Computeradepten ontmoeten elkaar vanwege hun voorliefde voor dit instrument; een slappere reden voor een gesprek is nauwelijks denkbaar. Net zoals het moeilijk is de architectuur uit het isolement van het bouwkundig object te halen, is ook haar beoefening in andere termen dan die der ruimtelijke disciplines een grote opgave. Wie het anders wil, zal zich immers eerst de vraag naar de legitimiteit van de eigen professionele achtergrond moeten stellen.
Als je ondertussen door de pers vrijwel uitsluitend op die gronden wordt beoordeeld, lijkt die opgave bijna onmogelijk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat degene die volhardt in zelfonderzoek tot een getto van gelijkgezinden gaat behoren. Daar uit te breken is de opgave waar een vernieuwende architectuur voor staat. Dat leren waarderen zou een taak voor de journalistiek kunnen zijn.

Disney is overal

Kan het publieke domein gesponsord worden? Ja, dat kan, en wel het beste door Disney Corporation. Op Times Square in New York is al een begin gemaakt. En zelfs de architectuur doet mee met de disneylandisering van het dagelijks leven. ..LE DE DISNEY-IDEOLOGIE van Duckstad is inmiddels in het vierde stadium van haar historische ontwikkeling gekomen. Eerst was er Disneyland, een klassiek sprookjesland voor kinderen onder begeleiding van liefhebbende ouders. Toen kwam Disneyworld, een totaalpretpark voor alle leeftijden, maar nog altijd afgezonderd van de echte wereld. De volgende stap in de infiltratie van de dagelijkse leefwereld was het opzetten van eigen stadjes. Bewaakt door geuniformeerde veiligheidsbeambten en de alomtegenwoordige camera, kun je hier de traditionele gemeenschapswaarden tegen de achtergrond van klassieke architectuur kopen. Dat concept sloeg enorm aan. Overal ter wereld worden sociaal geheel geklimatologiseerde enclaves ingericht, waar men tegen forse betaling ineens voor het leven zijn belastingplicht kan afkopen.

Maar ook deze reservaten van rust en orde lijken alweer achterhaald te zijn. De nieuwste variant van kolonisatie betreft het opkopen of sponsoren van de oude publieke ruimte van de bestaande stad. De doelgroep voor maatschappelijke afzondering is te klein om te blijven renderen, daarom probeert Disney een onvermijdelijke dimensie van ons bestaan te worden. Zoiets als liefde, dood, wanhoop, geluk, seks en Disney.
HET GAAT EIGENLIJK nog een stapje verder: er komt disneyliefde, disneydood, disneywanhoop, disneygeluk en disneyseks. Seks? Ja, betaalde seks. De proliferatie van Disney in het publieke domein door middel van sponsoring begint zelfs met seks. Wie na een paar jaar afwezigheid weer eens Times Square in New York bezoekt, zal veel beelden herkennen. Als vanouds de lichtreclames en het verkeer. Maar er ontbreekt van alles. Verdwenen zijn de vele zwervers in hun kartonnen huizen in de portieken van de elektronicazaken annex tapijthallen. Sterker nog, deze zaken, gerund door onnavolgbare prijsonderhandelaars uit alle windstreken, zijn zelf gedecimeerd. Weg zijn ook de daklozen met hun plastic zakken vol lege bierblikjes die zij &insldr; vijf cents in het kader van de operatie We Can kunnen inleveren bij de gemeente. De trottoirs lijken, verdomd als het niet waar is, wel schoon!
En voor wie 42nd Street op loopt, is de metamorfose nog fantastischer. Was dit niet het domein van hoeren en hun pooiers, van peepshows en agressieve ticketverkopers? Dit was toch het voorgeborchte van de hel, de straat der zonde, waar je typen &insldr; la Robert de Niro en Harvey Keitel kon tegenkomen?
Wel, die typen kom je er nu ook nog tegen, maar ditmaal in functie als acteur. 42nd Street is deels opgekocht, deels gesponsord door Disney als erotisch themapark. Zelfs de zonde is hier gereguleerd in een geraffineerde beeldpolitiek. De onhandelbaren zijn verwijderd, terwijl het met de grote seksbazen uitstekend bleek zakendoen. Maar al te graag hebben zij zich geschikt in de exploitatieregels die Disney en burgemeester Giuliani voor ze hebben opgesteld. Overspel, fetisjismen, travestie, het kan allemaal volgens het keurmerk van Don’t worry, be Disney.
En nu maar afwachten op welk volgend monument van delirische stedelijkheid Disney zijn oog zal laten vallen. Place Pigalle, Piccadilly Circus, of maar meteen de hele Amsterdamse binnenstad. Dat zou goed kunnen, want daar oefenen ze ook al druk in zero tolerance.
HET FENOMEEN Disney staat voor iets veel groters dan deze toch niet onaanzienlijke edutainment gigant. 42nd Street is maar een detail. Het gaat om niet minder dan de wereldwijde mise-en-scŠne van het Totale Genieten. Walt Disney zelf schijnt nog steeds in de vriescel te wachten op wedergeboorte, maar zijn idee‰n blijken het veel beter te doen in de gekloonde reproductie.
Het mag ironisch heten, maar Disneys maakbaarheid leeft als nooit tevoren. Het ontkrachten van het overspannen idee dat maatschappelijk ingrijpen van overheidswege op grote schaal mogelijk was, heeft ruimte geschapen voor de makers die gewoon aan de slag gaan en met reuzensprongen vorderingen maken met de vervolmaking van hun droomwereld. Terwijl de utopie als filosofisch idee heeft afgedaan, krijgt haar realisering nu pas echt vleugels. Een en ander kost ongeveer vijfhonderd gulden per vierkante meter. Voor Times Square heb je dan Disney als sponsor nodig, maar elders is de aanpak van de lokale winkeliersvereniging al voldoende.
In de aldus gerealiseerde utopie heerst het opperste geluk. De mensen hebben hun nagestreefde doelen bereikt, de wereld is af. Aan alle behoeften wordt voldaan, verlangens zijn vervuld. In dit Luilekkerland heerst rust en tevredenheid. In het postideologische tijdperk waarin wij leven blijken miljoenen mensen die rust en tevredenheid gewoon te kunnen afdwingen. En dat doen ze ook.
DE MIDDELEN waarmee zij dat doen zijn velerlei. De massamedia, die zorgen voor een constante stroom van ellende waar je gelukkig zelf niet bij bent; Teletekst en Internet, waarmee je al je tijd kunt stukslaan; de farmaceutische industrie, die met behulp van middelen als Prozac of MDMA gematigd of extatisch geluk op bestelling kan leveren; de plastische chirurgie die je kan afhelpen van frustrerende lichamelijke problemen; de beautyfarms en andere verwencentra die… - de lijst is schier eindeloos. Vanaf het sociale middenklasseniveau is geluk een kwestie van de afstandbediening en de Gouden Gids.
En van architectuur en stedelijke inrichting natuurlijk. Deze disciplines zouden zich maatschappelijk diskwalificeren indien zij zich niet rap zou aanpassen aan de cultuur van gemak en comfort. In feite heeft zij met haar functionalistische uitstraling al opmerkelijk lang gedraald de tekenen des tijds te verstaan. Maar nu breekt het besef door dat ook architectuur, zelfs architectuur, er het beste aan doet diepe collectieve verlangens te bevredigen in plaats van deze te frustreren of te ‘problematiseren’.
En daarom is er nu een architectuur in opkomst die pontificaal n¡et avantgardistisch wil zijn. Juist niet. In plaats van het aloude Çpater le bourgeois, moet die burger nu juist gestreeld worden. In plaats van architectuur als maatschappelijke probleemstelling wordt architectuur een consumptiegoed als elk ander. In plaats van flatneurose komt de beeldenroes; in plaats van licht, lucht en zon komt een overdekte, klimatologisch geheel gecontroleerde megastore. In plaats van Spartaanse ascese komt de onbekommerde figuratie uit de bouwcatalogus. In plaats van verkrachtingen en berovingen in tochtige galerijen komt een videobewaakte eros-boulevard. De spreekwoordelijke mensenhaat van de architectuur is voorbij; ze doet eindelijk weer wat mensen willen.

Bestaat nederland?

KENT U DAT verhaal van die Amerikaanse vrouw die zich jaren offers getroostte om van het leven van haar autistische kind iets te maken? Voor een gezelschap van lotgenoten sprak zij eens over haar ervaringen en ze kwam met een mooie vergelijking. Zij beschreef haar leven als een vakantie naar Europa. Terwijl ze had geboekt voor een droomreis naar Venetië, bleek haar toestel op Schiphol te vliegen. Haar moraal was duidelijk. Na van de eerste teleurstelling te zijn bekomen, bleek ook Amsterdam een bezoek meer dan waard.

Een beetje Amerikaan voelt zich hier ook snel thuis. Het autistische Nederland van nu bestaat uit center parcs, skiramiden, witte schimmel, destructiewagens, boerderettes, grootwinkelgebieden, distriparken, beautyfarms, multifunctionele bezoekerscentra, woonmalls, jachthavens, verkeerstafels, neonatuur, Marilyn Monroestraten, romantische architectuur, voorbeeldprojecten, Ikea en gekloonde kalveren. Daartussenin bevindt zich nog een enkel tulpenveldje, een sluisje, hofje, molentje, kerkje, dijkhuisje, en Brink, Ons Dorp. Al wie denkt dat dit het beeld oproept van een landschap vol tegenstellingen zit ernaast.
En toch is dat precies wat verreweg de meeste landschapsliteratuur van dit moment ons wil doen geloven. Veel schrijvers die nu ter gelegenheid van de boekenweek in de schijnwerpers staan, zien overal tegenstellingen. Geert Mak voorop. Hij schreef in het kader van ‘Panorama Nederland, stad en land in proza en poëzie’ een boekenweekessay dat uitblinkt door observatievermogen. Mak ziet veel. Stad en land, toen en nu, een harde wereld met een zachte blik. Hoe sereen ook verteld, dit is het landschap van de spanningen die we nodig hebben om de werkelijkheid te begrijpen.
MAK REISDE met een motorbootje door het Hollandse laagland en beschreef zo nuchter mogelijk wat hij tegenkwam. Holland is mooi en ook wel lelijk, zo ongeveer. Daarbij doet hij dappere pogingen moralisme te onderdrukken. Hij beschrijft slechts, wil geen oordeel vellen. De lezer moet zelf maar uitmaken wat zij of hij ervan vindt. Daarmee bedient hij zich van een literaire vorm die langzamerhand het monopolie heeft: een lichte weemoed, een vage nostalgie, maar verder vooral dirty realism. Het is de pen van iemand die het intieme contact met de goede zaak heeft verloren en nu gedoemd is zijn retorische talent te spenderen aan de fijne waarneming. Als je niet meer weet te zeggen wat je vindt, kun je altijd nog vertellen hoe de wereld er uitziet.
Maar ondertussen slaat het moralisme onverbiddellijk toe. Het zit hem alleen niet in het oordeel, maar in de aard van de retoriek. Niet wat hij ziet geeft de doorslag, maar, precies, hoe hij het ziet en hoe hij het beschrijft. Het is de wijze waarop hij de taal greep laat krijgen op het supermodernisme in onze omgeving.
En dan moet worden gezegd dat die taal daar hopeloos bij in gebreke blijft. Zij lijkt te zijn uitgevonden voor een tijd waarin door middel van een taal een standpunt kon worden verkondigd. De retorische topoi, de literaire motieven, de voorzetsels met hun vermogen tot ruimtelijke plaatsbepaling. Maar wat eens machtige wapens van ons begrip waren, lijken nu roestige gereedschappen uit voorbij tijden. De omkering, de overdrijving, de klinische beschrijving, het werkelijke landschap laat zich echt niet vangen met deze achterhaalde technieken. Het kent namelijk helemaal de tegenstellingen niet meer waarop het goede gebruik berustte.
Dat is niet de fout van Geert Mak overigens; het is de alomtegenwoordige machteloosheid van de taal iets te beschrijven dat met alle normen van menselijk begrip spot. Alles is namelijk omkering. Alles is overdrijving. En alles is alleen maar letterlijk zo, en dat is al heel wat. Niets staat meer voor iets anders, want zegt van zichzelf al meer dan genoeg. Het landschap is voorbij de dialectiek, voorbij de metafoor, voorbij geschiedenis en ideologie. Het is. Elke bedenking of kanttekening krijgt iets gruwelijks futiels. Elke interpretatie is een brevet van onvermogen. Alles in Nederland is onverbiddellijk nu. Alles is zonder uitzondering stedelijk. Of stadachtig, om het preciezer te zeggen.
Nederland is precies datgene overkomen waar het hele begrip landschap vanaf het begin voor voorbestemd was: een stamppot van elkaar neutraliserende verschijnselen, van tekens, van realiteiten. Het landschap is het overkoepelende begrip dat vol mededogen alles, maar dan ook alles in zich opneemt. Eenmaal benoemd tot landschap krijgt alles daarin zijn plaats. Als er één kenmerk van dit landschap telt, is dat het voor kennisgeving wordt aangenomen.
PANORAMA NEDERLAND. Laat me niet lachen. Tegen beter weten in wordt er in de boekenweek voor de zoveelste keer het beeld opgeroepen dat er zich aan onze voeten een landschap ontrolt. Dat wij overzicht zouden hebben. Dat Nederland iets is dat zich in een beeld laat vatten. Bijkans de hele literatuur bekent zich willoos tot een hedendaags naturalisme dat alleen zichzelf portretteert. Door wat er in Nederland gebeurt onder de noemer van landschap te plaatsen, vindt een proces van zelfbescherming plaats dat de naam literatuur nauwelijks nog verdient. Zelfnarcose lijkt me een beter woord. Het is een tegen beter weten in herleiden der verschijnselen tot een esthetisch gegeven.
Landschap veronderstelt een koele blik, controle, een toeristisch wereldbeeld. Net zoals panorama overigens. Door met totaliserende begrippen te strooien, kan de schijn worden opgehouden dat de wereld bijeengehouden kan worden. In een landschap is nu eenmaal alles onderdeel van een groter geheel. In een panorama krijgt alles zijn plaats in één groot blikveld. Tegenstellingen worden alsnog onschadelijk gemaakt in het artistieke gebaar.
LANDSCHAP EN panorama, ze hebben zichzelf als retorische gebaren overleefd. Door alles in zich op te nemen en te pacificeren door de afstandelijkheid van het vogelvluchtperspectief, zijn er helemaal geen tegenstellingen meer. Wie nu nog de werkelijkheid beschrijft aan de hand van het enerzijds-anderzijds, krijgt steeds minder gehoor. Het is het product van een machteloosheid die slechts is weggelegd voor beroepsmatige buitenstaanders.
Maar voor alle anderen ziet het leven er heel anders uit. Degenen voor wie de euro, Azië, de beurscorrectie, de kapitaalvlucht, de mobiliteitsgroei, de hsl enzovoort niet iets is wat er aan zit te komen maar al lang en breed dagelijkse kost is, kunnen niet meer geloven dat er tegen het einde van Nederland met een alomvattend landschapbegrip nog iets te beginnen valt. Voor hen is Nederland hooguit een administratieve zone of een subregio op het Internet. Nederland is geen soevereine natie-staat; het is geen territorium en geen morele eenheid. Al deze categorieën van identiteit stellen niets voor behalve psychisch houvast.
De Nieuwe Kaart van Nederland liet deze dubbelzinnigheid vorig jaar al goed zien. Terwijl de kaart in één oogopslag Nederland als Nederland toont, met zijn dierbare contouren waaruit zich elk moment de Nederlandse Leeuw kan losmaken, laat een tweede blik slecht de conclusie van onherroepelijke desintegratie toe. Een land dat cartografisch al zo’n ruimtelijke hectiek laat zien, hoe zou zich dat ooit administratief, bestuurlijk, technologisch en psychisch als land kunnen herkennen?
Nederland vertoont statistische dichtheden die het als land volkomen relativeren. Het aantal verkeersbewegingen. De overslagtonnages. De verlichte logo’s van McDonald’s die vanuit de ruimte te zien zijn. Zondagopenstellingen. Varkensruimingen. Het kleinste aantal bewoners per woning ter wereld… Voorheen Nederland kan binnenkort helemaal zonder naam toe.

Criticus, hou er toch mee op

Uw rubriek bestaat nu bijna tien jaar. Tien jaar schrijven op het breukvlak van beeldende kunst en beeldcultuur. Tien jaar schrijven als chroniqueur over persoonlijke ontmoetingen met ‘beelden’. Wat heeft het eigenlijk opgeleverd?

U blijft maar denken dat u moet bemiddelen, uitleggen, ondersteunen, aanvallen en verdedigen. U blijft maar geloven in uw rol. Laat ik het u onmiddellijk heel duidelijk maken. Uw rol is uitgespeeld.
Ik zal het u uitleggen. Nooit heeft het schrijven over beeldende kunst in zo’n kwaad daglicht gestaan als nu. Er is een massieve consensus ontstaan over de onbegrijpelijkheid en hoogmoedigheid van de kunstkritiek. Zij heeft haar laatste krediet verspeeld en teert nog slechts op het geduld van haar lezers. Zoals bekend is zo’n bron van inkomsten snel opgedroogd.
In feite is het al zo ver. De stem van het ongeduld wordt steeds luider. Steeds scheller klinken de geluiden over ‘de rubberen taalgymnastiek’ der kunstscribenten; steeds voelbaarder wordt de irritatie over de ‘exaltische krompraat’; steeds opstandiger wordt het journaille tegenover de ‘dogmatische kaste’ die kunstwereld heet.
Na jaren van censuur kunnen we gelukkig eindelijk weer echt goede analyses lezen. Die van Diederik Kraaijpoel en Riki Simons. Lange tijd was het recht op kritiekkritiek voorbehouden aan virtuoze buitenstaanders als Gerrit Komrij, die hun onbeholpen gehoor geselden met de ene prachtige stijlfiguur na de andere. Nu rukt het ongeduld bij mensen in de kunstwereld zelf ook op. Weg met het idioom van de tempel, leve de taal des volks.
Ach, dit alles is maar een detail van een veel grotere omwenteling. Het zijn niet zozeer de woorden over kunst die niet meer deugen, het is de hele moderne beeldende kunst zelf die op het randje van de overbodigheid is gekomen. Het is natuurlijk aardig om te speculeren over de onbegrijpelijke verbale evenwichtskunst die nodig is om op dit randje te blijven balanceren, maar belangrijker is het om u af te vragen wat er zich in de afgrond bevindt. Kunt u maar niet beter gewoon springen? Ik denk het wel…
Ga maar na. De beeldende kunst is definitief in het stadium gekomen waarin zij op geen enkele wijze meer te beoordelen is. In tegenstelling tot een musicus, een schrijver of een architect hoeft een beeldend kunstenaar niets meer bij voorbaat te kunnen om als kunstenaar erkend te worden. Andersom komt hij of zij met allerlei vreemde kunstjes wel hoog op de carrièreladder. De eigen woonkamer als expositie; bedrijfsdiefstal uit een galerie; een café beginnen; een logboekje van de achtervolging van een kunstpaus; een lichaamsverbouwing; een schokkerig filmpje met een handycam; een website ontwerpen. Allemaal beeldende kunst. Allemaal unready made.
In een paginagroot essay voor NRC Handelsblad noemde een kunstcriticus zijn eigen jarenlang geliefde onderwerp een ‘vergaarbak’. Hier spreekt iemand van binnenuit over ‘diepzinnige vaagheden van de kunstfilosofen’ en ‘verminkte wetenschapstermen’; over een kunstpraktijk waarin je hoger ogen gooit wanneer je met een ‘wigwam van groente-, fruit- en tuinafval’ getuigt van een ‘groter bewijs van beeldende intelligentie’, dan met een ‘kant en klaar schilderij’. Er zijn geen regels en dus ook geen fouten. ‘Misschien maakt de beeldende kunst wel alléén maar fouten.’ Dat nooit, dan liever de lucht in. Wacht niet tot ze u over de rand duwen. Spring zelf. Luister naar dit advies. Liever dood dan idioot.

Imagobuilding

Een tijd geleden werd mij gevraagd een mission statement voor de gemeente Almere te schrijven. De secretaresse van de gemeentevoorlichter kon mij niet vertellen wat dat inhield. Een ‘koepeldoelstelling’ noemde ze het. Zo wist ik nog niets. Ik vermoedde dat het zo’n onhandige werktitel was, in gebruik totdat er iets beters kwam. Doelbewust naïef stelde ik mij voor dat de stad een grondige zelfanalyse voor ogen stond. Misschien wilden ze wel een poging doen de verzameling individualisten met hun strak verkavelde privé-utopietjes bijeen te brengen tot iets dat op een collectiviteit leek, een echte stad.Wellicht wilde de gemeente een doorslaggevende stap doen in de mentaliteitsgeschiedenis van een gemeenschap, een hoofdstuk toevoegen aan het proces van stedelijke integratie. Na mijn eerste bezoek aan het stadhuis kreeg ik literatuur te lezen waar ik mij op kon oriënteren. Ik herinner me wandelverslagen van H.J.A. Hofland waarin hij het pionierskarakter van deze poldernederzetting bezingt. Om haar af te helpen van het minderwaardigheidscomplex dat hoort bij een vluchteling uit de echte metropool voorzag Hofland in peptalk voor de Almeerse ziel. Ja, daar deed ik graag een schepje bovenop.
Maar al spoedig stagneerden de gesprekken. Een mission statement bleek niet hetzelfde als de formulering van een missie. Men verwachtte een slogan van mij, een pasklare slagzin waar Almere de boer mee op kon. Aangezien ik nog niet eerder door een overheidsinstantie om hulp was gevraagd alleen omdat ik enkele woorden in een mooie volgorde kon plaatsen, was ik slachtoffer geworden van mijn eigen rolverwarring. Ik vleide mezelf met de gedachte dat Almere een denker nodig had. Het bleek een copywriter te zijn.
Inmiddels weten we wat mijn opvolger voor werk geleverd heeft. Reclamebureau PPGH/JWT bedacht dit: ‘Het kán in Almere’.
Inderdaad, dat had ik nooit gekund: in het midden laten wát er kan, en dat is in deze campagne nu net de bedoeling. De slogan, met honderdvijftig tv-spotjes en vele advertenties in ondernemersbladen, moet de stad met ‘iets positiefs’ associëren. Almere laat daarmee zien dat het de wetten van de city-marketing goed heeft begrepen. Net als elders in het reclamewezen gaat het er niet om een bepaald product rechtstreeks aan de man te brengen. Veel effectiever is het om de sfeer die met dat product geassocieerd kan worden, te laten voelen. Zo doet ook Almere dat nu. De hele campagne ademt de geest van er ongelooflijk veel zin in hebben. Alles is positief aan Almere, de vruchtbare voedingsbodem der verbeeldingskracht. Een stad voor ondernemende mensen zogezegd, als die woorden tenminste niet waren al vergeven aan de ING.
Belangrijker dan de bijdetijdse marketingaanpak, is natuurlijk het naakte feit van de marketing zelf. Almere moet concurreren met alle andere steden die zichzelf in de kijker van het bedrijfsleven willen spelen. Het is in het publieke belang dat de stad zich economisch staande houdt, en daarom is de commerciële uitbating van het imago van de stad een publieke zaak geworden. Ook al is het evident dat de revenuen van dergelijke promotie niet alle belastingbetalers evenredig ten goede komen, ervan afzien zou ze in ieder geval ten kwade komen. Zo jagen de steden elkaar op met steeds mooiere imago’s, steeds mooier opgeruimde, videobewaakte straten, net zolang tot er geen oncontroleerbare openbare ruimte meer over is. (Hoe ironisch dat in Amsterdam over de verwijdering van honderd rommelige woonarken werd besloten door een beschonken gemeenteraad.) Dat op dat moment de legitimiteit van de besturen die nu zo hard werken aan de uitstraling van hun domein definitief om zeep geholpen is, is van later zorg. De nationale en stedelijke promotie die zich baseert op een zelfbeeld als bedrijf, kweekt patriottisme zonder vaderland, buurtliefde zonder buurt. Het is nu juist het bedrijfsleven dat deze sentimentaliteit het snelst zal ontmaskeren.

Villa kleinburger

In De Groene van vorige week bespreekt René Zwaap uitvoerig het nieuwe VPRO-gebouw. Nu ja, niet zozeer het gebouw kwam aan de orde alswel de beleving ervan. Een hele rij VPRO-medewerkers spuwde zijn gal over het arbeidsklimaat in het nieuwe onderkomen. Zo ontbreekt het aan voldoende ‘hoekjes om in weg te kruipen’, kun je ‘niet meer roddelen’ en mogen de mensen ‘hun eigen prullenbakken niet meer uitzoeken’. Voorts schijnt er een kwalijke coating te zijn gebruikt, wordt het snel warm en zitten de mensen in elkaars zicht op een manier die aan collectivistische terreur doet denken. Ten slotte zijn de hondenbezitters gedupeerd door een nieuw viervoeterbeleid. Met andere woorden, het is niet prettig toeven in de nieuwbouw van ’s lands vrijgevochten omroep. Hoe diep de frustratie gaat, bewijst het feit dat zelfs Koot en Bie hun feestrede bij de opening aan de ongemakken van het gebouw wijdden.

Het is weer eens zover, de architectuur heeft voor een schandaal gezorgd en ditmaal is nu eens niet Carel Weeber of Rem Koolhaas het middelpunt van kritiek, maar een jong architectenbureau uit Rotterdam, dat opereert onder de naam MVRDV. Jong maar kennelijk niet in staat om naar ‘de mensen’ te luisteren.
Het is natuurlijk een bekend verhaal. Als het spreekwoordelijke dak lekt kun je nog zo’n vernieuwend, geestrijk en speels gebouw hebben ontworpen, het verdict zal worden uitgesproken. Je hebt de mensen leed aangedaan. Alle creativiteit die in de architectuur nog op te brengen valt, wordt in één keer tenietgedaan door ongemakkelijkheden in het dagelijks gebruik. Zelfs als dat gebruik nog nauwelijks op volle toeren is en er nog van alles moet gebeuren in het gebouwbeheer. En het zou natuurlijk ook nooit zo breed worden uitgemeten indien de klachten niet van gearriveerde mediapersoonlijkheden afkomstig waren, maar van willekeurig personeel van een willekeurig kantoor in de marktsector.
De kritiek op het nieuwe VPRO-gebouw strekt zich inmiddels uit over een groot deel van het medialandschap. En steeds draait het om het geringe gebruikscomfort. Dat is jammer, want op grond van andere maatstaven is er veel meer op dit gebouw aan te merken. Zo blijft het merkwaardig dat de concentratie van alle medewerkers op één plek als een programmatische verdienste wordt gezien. De huidige praktijk van gedegen tactische televisie, om de VPRO-aanpak maar even zo te noemen, is juist gebaat bij een guerrilla-achtig werkproces. De knieval voor het machtsspel in het publieke bestel door sterk te gaan staan als één omroep, kan uiteraard met geen enkel gebouw, hoe fantasierijk ook, worden gecompenseerd. Een corporate identity voor de VPRO is een paradox, zelfs indien verzorgd door jonge honden uit Rotterdam.
Wat de overdreven aandacht voor de gebruiksklachten verder onderbelicht laat, is de verkenning van een nieuw ruimteconcept dat in het gebouw plaatsvindt. Na eeuwen lippendienst te hebben bewezen aan een geometrische orde, staat ook de architectuur op de drempel van een tijdperk van ‘gekromd’ denken. Hoe je het ook wendt of keert, in die zin is er architectonisch sprake van een mijlpaal. Tegelijkertijd kun je de architectuur maar nauwelijks de weg verwijten waarlangs zulke mijlpalen worden gezet. De richting die dit vak is ingeslagen, hangt goeddeels van andere factoren af. Het opmerkelijkst aan het negatieve mediaoffensief is dat weer eens blijkt hoe de weldenkendste journalisten bij het onderwerp stad en architectuur plotseling een misprijzende toon aanslaan die doet denken aan een buurvrouw die klaagt dat je nooit het stoepje veegt. Een gevel die vloekt met zijn omgeving, hoog gras rond een amsterdammertje, het is allemaal reden tot klagen. Zwaap verkeert in het goede gezelschap van Kousbroek, Komrij, Pam, Hofland, Van Gogh en vele anderen die bij architectuur terugvallen in de kleinburgerlijkheid van de stem des volks.

Het oeverloze ruimtedebat

Het is niet de komkommertijd die ervoor zorgt dat de Volkskrant dezer weken haar opiniepagina’s ter beschikking stelt aan de deelnemers van het ‘ruimtedebat’. Integendeel, eigenlijk is het vreemd dat bijdragen aan het gesprek over de inrichting van Nederland samenvallen met de bouwvak. Want als er op dit moment iets is dat de hele natie aangaat, dan is het de ruimte.

Wat opvalt aan de auteurs is dat ze van zo diverse pluimage zijn. De krant laat een hele rij specialisten aan het woord die zich de afgelopen tijd op diverse vakterreinen hebben geroerd: planologen, sociaal-geografen, historici, ontwerpers, ecologen, stedebouwers en politici. Wat dat betreft is dit debat, dat voor de kenners het karakter van een goede samenvatting heeft, een adequate weergave van de huidige stand der meningen. Maar het hadden ook gewoon betrokken staatsburgers kunnen zijn, zonder vermelding van deze of gene functie. Nu Nederland, zoals dat steevast heet, op de schop gaat, ontkomt niemand aan de gevolgen. Boeren, burgers, buitenlui, ze zijn inmiddels allemaal urbanieten die dagelijks geconfronteerd worden met graafmachines en hijskranen. Of ze confronteren anderen ermee. Niet voor niets zijn het de aannemers die een der meest lucratieve neringen drijven: bouwen.
Het begrip ruimte omvat alles en dat is te merken. Het ruimtedebat begint langzamerhand alle trekken van oeverloosheid aan te nemen. De ene keer gaat het over de luchtvaart, de geluidhinder of het ruimtebeslag; de andere keer is de witte schimmel aan de beurt, de oprukkende witte woonparadijsjes aan de rand van de zo pittoreske oude dorpen op het Drentse platteland. Nu eens loopt men te hoop tegen pijlsnelle-treintracés, dan weer tegen een gemeentelijk architectuurbeleid dat zich noodgedwongen beperkt tot het behoud van een markant stadssilhouet. Het onderwerp is dermate breed dat het in feite allang niet meer aan een debat der specialisten kan worden voorbehouden. Hun voorsprong in het onder woorden brengen van de materie is een schijnvoorsprong. Er is immers niets instructiever dan het leven midden in het geluid van de heimachines zelf. En dat leven kent dus iedereen.
Toch is het niet onlogisch dat de Volkskrant een kring scribenten uit de vakgemeenschap selecteert. Hoewel het onderwerp niet minder dan de toekomst van de Bataafse beschaving betreft, is het kruisen der degens op ideologische grondslag uit de gratie geraakt. Men betwist elkaar niet meer een visie op het arcadië der Nederlanden, maar op de mate van dichtheid per vierkante meter, of dat geluid van een vlucht regenwulpen. Nieuwe Ruimte is wat dat betreft een alternatief voor het geloof in een Nieuwe Tijd. En bij deze relativering horen niet generaliserende idealisten het woord te voeren, maar specialisten, met een gedegen kennis van zaken.
Maar iets in dit debat maakt het in toenemende mate tandeloos. Ten eerste legt iedereen zich erop toe eyeopeners te bieden. Hoe zien de stedelijke ontwikkelingen er werkelijk uit? Zie de Nieuwe Kaart van Nederland. Kan de snelheid schoonheid bezitten? Zie de diverse fotoreportages van machtige infrastructuur. Kijk er eens anders tegenaan, lijkt men te willen zeggen, maar waar men tegenaan kijkt, blijft hetzelfde. Zo wordt ieder conflict vermeden.
Een tweede kenmerk is de groeiende kloof tussen praters en doeners. Het wordt steeds duidelijker dat de gespreksdeelnemers in de meeste gevallen niet de beslissers zijn. En die laatsten baseren zich bij hun beslissingen zelden op het denkwerk van de sprekers. Zo zien we een vergaande zonering van aandacht, energie, talent en macht.
Maar het opvallendst is dat aan de meest ruimtelijke aller ontwikkelingen, de globalisering, zo weinig creatieve aandacht wordt geschonken. De nieuwe moderniteit wordt als voldongen feit aanvaard. Ze is een externe factor geworden. Helaas voor de gespreksdeelnemers waarschijnlijk net ook de doorslaggevende factor.

Hoe dan ook bouwen

De Any-conferentie is een jaarlijkse bijeenkomst van architecten, critici en filosofen over de toekomst van de architectuur. Omdat volgens de organiserende Newyorkse Any Corporation de architectuur verkeert in een tijdperk van onbeslisbaarheid en onbepaaldheid, vormt het voorvoegsel any het leidende principe. De afgelopen jaren kwamen achtereenvolgens anyplace (Montreal), anywise (Seoul) en anybody (Buenos Aires) aan de orde, waarbij het suffix de invalshoek bepaalde: plaatsbepaling, wijsheid, het lichaam. Afgelopen week vond het evenement in het Nederlands Architectuur instituut in Rotterdam plaats. En het onderwerp betrof anyhow.

De vraag naar het hoe in de architectuur lijkt wellicht een open vraag maar is in werkelijkheid nauwelijks interessant. Het hoe suggereert een mogelijke keuze uit verschillende opties, een vrije wil, een traject van idee via plan naar uitvoering. Het hoe is de vraag die uiteindelijk leidt tot praktisch resultaat. Toch is deze vraag naar de methode voor architectuur steeds minder relevant. Ten eerste omdat voor een immer groeiend gedeelte van de bouwopgave het antwoord nog alleen bestaat uit de combinatie van snel, goedkoop en efficiënt. In ieder geval is het een vraag die steeds minder door architecten wordt beantwoord, maar door ontwikkelaars, aannemers en bouwconsultants. Zolang architectuur vastgoed is, is de vraag naar het hoe niet architectonisch, niet creatief.
Ten tweede, en dat is veel fundamenteler, is die vrije wil een dubieuze kwestie geworden. Architectuur was altijd een toekomstgerichte, planmatige discipline en was bij uitstek een ingreep in het bestaande. Architectuur verbond daarmee verleden en toekomst. Het ontwerp als interpretatie van de tijd. Deze functie van architectuur wordt steeds meer gerelativeerd. Architectuur hoeft steeds minder te interpreteren. Moet er gewoon even zijn, en gaat dan al even gewoon weer spoedig weg. Architectuur wordt steeds meer het logische gevolg van een paar op elkaar inspelende krachten en belangen, zonder dat daarbij nog iets esthetisch, kritisch of ethisch wordt gemedieerd. Architectuur wordt steeds minder een cultuurmedium, steeds meer een effect. Zo’n effect kan een duizelingwekkende omloopsnelheid krijgen en een ultrakorte afschrijftijd, hetgeen ook al niet bijdraagt aan een kunst met het vermogen tot interventie. In zo’n situatie is de vrije wil van een individueel ontwerper nauwelijks nog aan de orde.
Natuurlijk is zo’n verhaal volstrekt onaantrekkelijk voor architecten, en zeker voor de topontwerpers van vandaag. De eersten wordt met zo’n analyse de wacht aangezegd, hun beroepsperspectief wordt uiterst somber. Het is geen wonder dat zij daar weinig van gecharmeerd zijn. Niemand wil immers in machteloosheid irrelevant worden. Voor de topontwerpers komt daar nog bij dat zij van de beschreven situatie het minste last hebben. Zo hebben Peter Eisenman, Bernard Tschumi, Ben van Berkel, Greg Lynn en Alejandro Zaera Polo, allen aanwezig, nauwelijks te maken met de anonimisering omdat zij in hun praktijk nog altijd veelgevraagd zijn. Voorlopig kunnen zij nog wel even verder op de oude voet. Zelfs Rem Koolhaas, die in zijn lezing de onweerstaanbare opmars van de ‘Aziatische’ bouwwoede voor de hele wereld voorspelde, kan in werkelijkheid nog altijd mooie gebouwen maken. En zolang er voor hen op het niveau van het kwaliteitsontwerp nog eer te behalen valt, is het onwaarschijnlijk dat deze architecten zich vrijwillig op heel andere methoden zullen werpen dan het superieure design in geïsoleerde bouwopdrachten.
Niettemin, wie over de toekomst van de architectuur nadenkt, stuit onherroepelijk op begrippen als modernisering en globalisering. De vraag is hoe deze ontwikkelingen door de grootste creatieven niet alleen worden opgemerkt maar werkelijk aanleiding kunnen geven tot een geheel ander praktijk. De Any-conferentie blijft in ieder geval doorzoeken tot het jaar 2000.