Archive for April, 1994

Architectuur in cyberspace

Het is natuurlijk aardig, zo’n papieren overzicht van Nooit Gebouwd Nederland. En ook een boek over Ooit Gesloopt Nederland is een welkome aanvulling op de rijke bibliotheek van architectuurmonografieen. Wie nu wil weten hoe het land was of had kunnen zijn, neemt zijn toevlucht tot de verbeeldingskracht, op gang gebracht door de tekeningen en foto’s die over allerlei architectuurpublikaties zijn verspreid. Maar stel, je hebt geen verbeeldingskracht. Hoe mooi de plaatjes ook zijn, architectuur als ruimtelijk spel blijft het alleenrecht van de materiele realiteit.Er is echter een databank denkbaar, een cyberspace, een super hologram, waarin Nederland naar believen zou kunnen worden getransformeerd tot de gewenste gebouwde omgeving, ook al is die omgeving in virtual reality. Misschien iets voor Madurodam, of wellicht een mooie aanvulling op de Holland Village in Japan. De bezoeker zou kunnen kiezen uit een rijk bestand van bouwwerken die niet in werkelijkheid te bezoeken zijn, maar waarin men, net echt, nu kan rondlopen. Dat zou nog eens een goede besteding zijn van de gelden van het Deltaplan Cultuurbehoud. Zet bijvoorbeeld een in cad-cam gespecialiseerd bureautje op de virtualisering van Duikers Sanatorium Zonnestraal, en de overheid bespaart zich niet alleen de miljoenen voor herstel en blijvend onderhoud, maar maakt dit monument van het Nieuwe Bouwen ook nog eens toegankelijk voor ontelbaar velen. Bovendien kan die overheid dan ook nog rechten beuren, terwijl eindeloze toeristenstromen naar Hilversum worden vermeden.
Nee, zult u zeggen, want die elementaire computeranimaties leggen het toch altijd af tegen de reele ervaring. Wanneer je nu naar de resultaten kijkt van computer aided design, dan kun je toch moeilijk spreken van een gevoelsmatige compensatie voor de teloorgang van de steden, het platte land? Het is zelfs nog geen troost te noemen.
Er bestaat een graad van teloorgang waarin ‘iets is beter dan niets’ op het puntje van de tong komt te liggen. Bovendien wordt de representatieve kracht van de computertekening steeds beter, steeds wervender. Tenslotte lijkt het erop dat ons zenuwstelsel de simulatie niet meer als zodanig waarneemt, maar als een zelfgegenereerde werkelijkheid. Hyperspace is nu nog een afgeleide van de werkelijke ruimte en SimCity nu nog een leuk spelletje. Maar niet voor niets heeft men voor de Digitale Stad meteen een stadsmetafoor gekozen en niet pakweg een supermarkt of een overdekte winkelpromenade. Wanneer men zich eenmaal in deze metafoor thuisvoelt, zal de behoefte aan een eigen thuis en haard, laat staan de behoefte aan het getranscendeerde thuis van de bouwkunstige traditie, echt wel slijten. Mijn plekje onder de zon is dds.hacktic.nl en ik weet mij opgenomen in een virtuele buurt-Gemeinschaft.
In de Architectuurschool van Oslo werd vorige week een symposium georganiseerd over het elektronische architectuurbeeld. Hoewel de aandacht voornamelijk uitging naar de technische aspecten van architectuuranimatie, was er ook ruimte voor reflectie. Die bleek hard nodig. Terwijl architectuur als kunst en techniek waarschijnlijk van alle vakgebieden het meest door de elektronische snelweg zal worden bedreigd, leeft er onder architecten, hoe bedreven in cad ook, nog altijd een bijzondere voorliefde voor het tastbare object. Wanneer zij aan een opdrachtgever een filmpje tonen, dan vooral als lekker voorproefje van wat het straks in de realiteit gaat worden.
Wat niet aan bod kwam, was de vraag in hoeverre het werken met elektronische simulatietechnieken die realiteit zelf zal benvloeden. Heel direct gebeurt dat al door de objectgerichtheid, de schaalloosheid en detailarmoede waarmee op de computer vaak wordt ontworpen. Dat komt bij materialisering ook tot uitdrukking. En indirect gebeurt dat ook door het ontwerpen gericht op het creeren van een suggestie. Het is deze suggestie die de opdrachtgever overtuigt. Het zal waarschijnlijk zijn deskundigheid niet vergroten..

Dragers en liggers

Denk je dat je architect bent, komt er een bouwcoordinator. De bouwcoordinator zegt wie je procespartners zijn, welke termijnen gelden, hoe de zaak wordt georganiseerd. De bouwcoordinator onderhandelt met leveranciers van materialen en bouwsystemen.

Denk je dat je architect bent, komt er een ingenieursbureau. Het ingenieursbureau rekent alle mooie dingen uit en zegt dan: dit is niet haalbaar. Het ingenieursbureau wordt nog brutaler en zegt: wij bouwen dat skelet wel even, dan doet u de rest.
Denk je dat je architect bent, komt er een apart tekenbureau. O, laat die bestektekeningen maar, zegt het tekenbureau, dat doen wij wel, daar hoeft u niet zo’n duur apparaat op uw kantoor voor in stand te houden.
Denk je dat je architect bent, komt er een prestatiespecificatie. Ja, u heeft daar wel vensters met houten kozijnen en raamstijlen en een extra latei, maar de essentie van uw prestatie is natuurlijk zoveel lux lichtinval. Dat kan dus ook wel met een kunststof raamwerk. Zegt de opdrachtgever, en kleedt het ontwerp uit.
De architectentitel is beschermd. Hoezee! Er is een architectenregister. Hoera! Maar het vak van architect, bestaat dat eigenlijk nog? Is dat wat die roepende in een intellectuele en esthetische woestenij nog gegeven is, architectuur te noemen? Is het aankleden van een partij dragers en liggers, aaneengeschakeld met doorlopende vloervlakken en prefab wandjes, bij voorbaat afgeschreven over een jaar of tien, architectuur? Of is dat alleen nog grafische lay-out?
Ik overdrijf. Zo erg is het nog niet. Een goede architect, met hart voor de zaak, die soms nog wel eens een opdracht durft te weigeren, is nog niet zo gemarginaliseerd. Soms valt er ook nog wel eens een interessante ontsluiting van een gebouw te bedenken en kan er dus tenminste iets ruimtelijks worden verzonnen. Na het passeren van een ‘opmerkelijke’ gevel, wil er dan ook nog wel eens een speciale ervaringsroute worden aangeboden. Maar de voorbeelden van architectuur als integrale interpretatie van een programma zijn uiterst schaars. Zo schaars dat het erover spreken bijna als vloeken in de kerk wordt beschouwd. Het is nu eenmaal bekend dat wie een knieval heeft gemaakt, de capitulatie graag als onvermijdelijk schetst. En bij onvermijdelijkheden horen geen bezwaren. Zo gaat een vak naar de haaien.
Alleen een ding floreert. Nu architectuur steeds meer alleen een beeld is, moet deze laatst overgebleven competentie zo uitbundig mogelijk voor het voetlicht worden gebracht. Gelukkig is dat net waar glossy magazines het sterkst in zijn. Net nu de architectuur op haar laatste benen loopt, glanst het architectuurplaatje. En elke architect die tenminste als maker van schitterende beelden wil overleven, zal er alles aan doen de fotografische reproduktie van zijn of haar werk te reguleren. Dus gaan er strikt geselecteerde afbeeldingen de wereld in, en worden voorgesorteerde fotografen op uitgelezen tijdstippen in de mooiste seizoenen er op uit gestuurd om net opgeleverde gebouwen, vers in de verf en nog vrij van organische besmetting, op de gevoelige plaat vast te leggen. Deze foto’s worden dan vervolgens geautoriseerd en aan de welwillende media ter hand gesteld. En wee degene die de gelikte interpretatie niet accepteert en zelf met zijn Nikon op pad gaat. Foto’s die aantonen hoe de fotograaf het gebouw op zo maar een dag heeft aangetroffen, worden in steeds sterkere mate geweerd uit de officiele vakorganen. Olympische statuur strookt nu eenmaal niet met toevallige ontmoetingen. Moeilijk wordt het ook voor degene die niet monografisch-hagiografische commentaren schrijft, maar de architectuur als onderdeel neemt voor een verhaal over de cultuur waarin zij figureert. Steeds meer architecten willen toezicht houden op hun receptie door middel van inzagerecht, hoge fototarieven of regelrechte embargo’s.
Hoe meer de architectuur tot beeldspecialiteit wordt, hoe meer dit beeld met hand en tand zal worden verdedigd. Een vak dat wordt gereduceerd tot een fractie van zijn competentie, zal zijn resterende verdienste met hand en tand verdedigen. Het is een weinig vruchtbare reidans rond een schat die reeds lang is geroofd. Uiteindelijk verliezen ze allebei: de architectuur en haar kritiek.

The Invisible in Architecture

Ole Bouman, Roemer van Toorn
Academy Editions, 1994

The Invisible in Architecture

This book has been sold out for a long time.
We hope to re-publish it on the net or on paper soon.
Meanwhile read the reviews (Ctheory) or admire the pages.

invisible1a.jpg

invisible2.jpg

invisible3.jpg

invisible4.jpg

invisible5.jpg