Archive for June, 1994

Poedertjes tegen dakloosheid

Het Canadian Centre of Architecture in Montreal organiseerde onlangs het vierde Any-congres. Na Anyone in Los Angeles, Anywhere in Osaka en Anyway in Barcelona, sprak men dit keer over Anyplace. De conferenties zijn bedoeld als platform voor ideeen over onze cultuur in het tijdperk van onbeslisbaarheid aan het eind van het millennium. Vandaar het volgehouden prefix ‘Any’, waarvan er voldoende zijn om tot 2001 door te gaan (anybody, anything et cetera).

En omdat architectuur voor het denken over deze onbeslisbaarheid zo’n prachtig terrein vormt, is zij steeds het uitganspunt voor avonturen in alle mogelijke sectoren van onze cultuur. De architectuur is zogezegd de ‘gastvrouw’ voor de overige disciplines.
Althans, zo zou het moeten zijn. Met de rol van gastvrouw is ook meteen het grootste probleem van de congressen gegeven. Hoewel bedoeld als uitwisseling van ideeen is de disciplinaire afzondering een moeilijk te bestrijden zwakte. Architectuur wordt steeds in de strijd geworpen als een aanvulling op of een voorstadium van andere disciplines. De verschillende seminars lieten alle reeds in hun titels deze tweeslachtigheid zien: ‘De architectuurprovincie in het denken’; ‘De installatie van architectuur in wetenschap en techniek’; ‘De taak van architectuur in de kunsten’; ‘De vestiging van een plek in cyberspace’; ‘Het verblijf van architectuur in de politiek’.
Alle titels duidden op een grote afstandelijkheid en de a-prioribevesti ging van het isolement van het vak architectuur. De discussies waren navenant. Fase een: de stellingen; fase twee: de aanvullingen op de stellingen; fase drie: klachten over de aanvullingen die er niet waren gekomen. Alle vakgebieden werden als vakgebieden gepresenteerd, en dus was het wederzijdse respect al bij voorbaat een gegeven. Ruzie werd er uiteraard niet gemaakt. Een internationaal gezelschap van briljante geesten kwam niet tot de verwachte geestdrift.
Veel woorden werden gespendeerd aan de vraag of architectuur zich moest inlaten met the outside. Het was een van de metatatataligheden die over tafel gingen. Zolang architectuur als bouwwerk een onderscheid tussen binnen en buiten, prive en openbaar maakt, is zij niet verloren. Maar wellicht is dat wel het geval indien ze hetzelfde doet voor haar institutionele zelfdefinitie.
De behoefte architectuur apart van de rest van de wereld te onderscheiden is veel meer een teken van haar aantasting dan een van zelfbewustheid of sterkte. Op de ‘hulpdisciplines’ wordt naar hartelust geparasiteerd. Men probeert met behulp van woorden steeds beter De Architectuur te begrijpen, maar naarmate men dichter bij een of ander begrip van de vermeende essentie komt, wordt het duidelijk dat De Architectuur als vak, als drieeenheid van stevigheid, schoonheid en functionaliteit, helemaal niet meer bestaat. De wens zichzelf als levende bevestigd te zien keert zich uiteindelijk tegen zichzelf. Men ontwaart een lijk. Een gebalsemd lijk misschien, maar toch: een lijk.
De Any-conferenties moeten nog zeven jaar door. De final countdown en aanverwante retorica wordt voortgezet. De wens de architectuur als herberg voor het denken te presenteren is een prachtig initiatief. Maar zolang de architectuur tegenover de wereld wordt geplaatst in plaats van erin, zal haar gastvrijheid weinig waardering opleveren.
Er zijn echter ontwikkelingen die voorbij de spraakverwarring zijn. De filosoof Paul Virilio werkt met architecten en sociaal werkers aan een project voor aanlegsteigers voor daklozen. De wethouder van cultuur van Barcelona is een architect. Prachtig. Of zo: de farmaceutische industrie werkt aan een poeder dat het gevoel van dakloosheid kan wegnemen. De particuliere beveiligingsindustrie verkoopt met mortieren uitgeruste bunkers die je aan het begin van je oprijlaan kunt plaatsen. Het isolement van de architectuur? Het gaat alleen op voor Any.

Bv Nederland

U kent vast het spelletje waarbij een kringgezelschap iemand uitkiest die een kort verhaal moet influisteren in het oor van zijn buurman. Deze fluistert het in het oor van de volgende en zo verder. Totdat het verhaal de kring rond is. Tien tegen een dat de bedenker de originele versie niet meer terugkent. Het doorgeven van de boodschap doet veel verloren gaan. Hoe meer mensen aan de tafel, hoe meer vervorming.

Als gezelschapsspel is het leuk, maar als dagelijkse werkomstandigheid is het hoogst onaangenaam. En zo werkt nu de gemiddelde architect. Hij of zij denkt met weemoed terug aan een opdrachtgever die een begrijpelijk programma van eisen verstrekte, ondersteund met een heldere visie op de betekenis van de opdracht. Tot aan de aanbesteding van het ontwerp kon de architect zijn gang gaan. Uit die vrijheid kwamen vaak mooie ontwerpen voort.
Nu is het anders. De architect zit nu niet langer met de opdrachtgever tegenover de aannemer, maar met de aannemer tegenover de opdrachtgever en de bouwmanagers. Samenwerken is onderhandelen geworden. Ideeenrijkdom is een handicap die tijd en geld kost. Daarbij komt dat die opdrachtgever nauwelijks nog als zodanig is te herkennen. Je kunt het beter omschrijven als een of andere geldstroom die zijn weg zoekt naar een of andere bouwinvestering. Daar komt nauwelijks nog een persoon met een naam aan te pas. Vaak is de opdrachtgever een institutionele belegger die zekerheid wil. Architectuur als avonturisme in steen staat bij voorbaat al op de monumentenlijst.
Het publiek, wat dat ook mag zijn, blijft intussen morren op de architect als grote boosdoener, hoe marginaal diens invloed ook is. Aan de schandpaal nagelen, die charlatan (Max Pam). Doodgeknuppeld moet hij worden (Rudy Kousbroek). Een nekschot moet-ie hebben (Stan van Houcke). En Gerrit Komrij voltrok alle overige denkbare executies. Allen dachten dat Nederland met herinvoering van de doodstraf van de ondergang zou worden gered.
De werkelijkheid verslaat elke fantasie. De architect is vrijwel doodgeknuppeld, maar niet door het publiek of een moordcommando van literatoren. Het is de grootscheepse reorganisatie van het bouwproces die ervoor zorgt dat de architect nauwelijks nog een teken van leven kan geven. Architectuur is bouwen; bouwen is investeren; investeren is om winst te maken; winst is (meestal) de vijand van architectuur. De publieke betekenis van wat ooit de moeder der kunsten heette, is zo ten dode opgeschreven. Maar gelukkig hebben we nog de overheid. Die kan toch meer doen dan de markt volgen? Daar kan toch een inspirerend voorbeeld van uitgaan? Jaarlijks heeft zij immers zo’n slordige zes miljard te besteden in de bouwsector. Van geluidscherm tot ministerie van Cultuur, het land komt af door Openbare Werken. Wanneer we daarbij nog bedenken dat al deze inspanningen worden verricht in het kader van een architectuurnota, een prachtig en zuiver beleidsvoornemen, dan zou je vermoeden dat aan de voornoemde tendensen een krachtig halt wordt toegeroepen.
Maar het tegendeel is het geval. Ook de overheid is in de ban van het marktdenken en bouwt liever met andermans geld, met alle marktwetmatigheden van dien. Haar architectuurbeleid is heel anders getoonzet dan haar bouwbeleid. Waar het een ambitieus en strijdvaardig is, daar is het andere terughoudend en steeds meer ‘markconform’. Wanneer het gaat om grote accomodaties voor justitie, belastingdiensten, politie en dergelijke, denkt men nu al aan de verkoopwaarde in 2020. Dus al die kantoren voldoen aan de imaginaire verhuurverwachtingen van de vastgoed marketeers.
En daar moet je nu in werken. Geen wonder dat diezelfde overheid liever is gaan spreken over ‘klantvriendelijke’ diensten in plaats van publieke lichamen. Het probleem van de legitimatie en de representatie van de staat wordt daarmee omzeild. De overheidsinstellingen zijn diensten geworden en diensten verzamel je gemakkelijk in een ‘dienstencentrum’. Een overheid die geen opdrachtgever meer wil zijn, is geen overheid maar hoogstens een Raad van Bestuur van de BV Nederland. Het is dan niet verwonderlijk dat architecten onderpresteren.

Verveeeeeling

Trek? Een tussendoortje… Slaap? Een serestaatje… Moe? Een uppertje… Nerveus? Een betablokkertje… Bang? Een stil alarmpje… Langzaam? Een TGV-tje… Dorst? Een smartdrankje… Vuil? Een allochtoontje… Snel? Een stilteweekendje… Koud? Een combiketeltje… Voorspelbaar? Een survivaltochtje… Beschadigd? Een prothesetje… Saai? Een housepartijtje… Kleine wereld? Internetje… Enzovoort en nog veel verder.

Hij wilde al lange tijd dood zijn, ten hemel varen, zijn aanspraak op eeuwige vrede eindelijk gestand doen. Ach, het was wel lekker hoor, die verworvenheden der consumptiemaatschappij, dat grote genieten dat eindeloos doorging. Prima dat het einde der dialectiek zo langzamerheid een voldongen feit was en de meest schrijnende beelden van elders konden worden geneutraliseerd door een prachtige metamediatheorie van de representatie. Fijn ook dat solidariteit was ontmaskerd als verzinsel van het materialistisch collectivisme en rood en blauw samen best paars konden worden. Maar toch…
Het bleef ellendig, die jetlags, als je terugkwam van een gesubsidieerde orientatiereis naar Las Vegas of Orlando of Tokio. En vervelend ook, die kwaaltjes die nog steeds niet te voorkomen waren. Verkoudheidje, immuniteitsprobleempje, je liep het zo op. De ingredienten van het paradijs waren dan wel in het ondermaanse geimporteerd, de uiteindelijke bereiding van het perfecte bleef toch voorbehouden aan het koninkrijk der hemelen. Daar moest toch iets beters bestaan dan het eeuwige zappen van het ene naar het andere genoegen: een volledig transparante interface tussen alle soorten orgasme.
Zijn vrienden, voor zover nog als zodanig te benoemen, maakten zich zorgen. Zo jong nog, en nu al levensmoe. Alles hebben, en toch blijven verlangen naar de vervulling, een apotheose. Dus verzonnen zij een list.
’s Anderendaags ontwaakte hij in een onbekende kamer. Hij lag op een hemelbed, onder een prachtig velum. Er lag geen erwt onder welk kussen dan ook, zijn lichaam leek gewichtloos op het dons te deinen. Aan het baldakijn hing een koord. Hij belde. Weldra kwam een lakei de kamer binnen die vroeg wat mijnheer wenste. ‘Een breakfast special graag, met alles d’rop en d’raan.’ In een ommezien stond het bijzettafeltje vol met heerlijkheden. Terwijl hij zich te goed deed aan de nectar en ambrozijn, genoot hij van het schalmeienspel der engelen, van sirenen die zongen zoals geen sterveling ooit had gehoord.
Zo lag hij aan, ononderbroken voorzien van uitgelezen wijnen, de fraaiste spijzen. Zijn lichaam voelde hij niet, het ontbrak hem aan niets. ’s Avonds kwam de lakei wederom met alles wat zijn hartje begeerde. Wanneer hij aan iets moois dacht, kwam onmiddellijk een stoet met al het moois dat denkbaar was voorbij. Dacht hij aan geliefden en vrienden, ze waren in zijn onmiddellijke nabijheid. Ten slotte was alles om hem heen nog slechts de voortdurende bevrediging van zijn gedachten. Toen hield het denken op.
Zo ging het door, dag in dag uit. Het leven in het paradijs kreeg een bekend patroon. De overtreffende trap van al wat mooi en goed is, werd erg herkenbaar. Na dagen van godenspijs kreeg hij door wat de standaardisering van de perfectie betekende. Niets was nog relatief. Zodra een verlangen door de bevrediging van een ander verlangen dreigde te worden vergeten, was het dat verlangen dat stante pede werd vervuld. Gek werd hij ervan. Wanneer hij expres zijn eten weigerde om weer honger te kunnen voelen, bleek dat hij alleen maar at voor de lekkerte. Net toen hij zijn eten weigerde om gebrek te hebben aan lekkerte, bleek dat hij alleen maar at uit gewoonte.
Uit: Nox C: Chloroform: een samenleving onder narcose. Uitgeverij Duizend & Een. 159 blz.
Totdat de lakei aan zijn bed kwam en zei: mijnheer, er is een fout gemaakt, u bent niet dood. U zult terug moeten keren naar onze onvolmaakte dependance op aarde. Sterkte met de buikloop. Zo werd hij uit de hemel getrapt. Het deed geen pijn. Het was de laatste trap die geen pijn deed. Vanaf nu kon de pijn beginnen. Uit: Nox D: Djihad (nog te verschijnen)