Archive for October, 1994

Schroothoop (2)

Vorige week beschreef ik hoe in een periode waarin de stedebouw wanhopig op zoek is naar een bestaansgrond, Rem Koolhaas de goddelijke status heeft verworven met zijn opvatting over het einde van elke bestaansgrond. Dat wordt moeilijk zoeken. Koolhaas herdefinieert stedebouw als een manier om met het onvermijdelijke om te gaan. Zulk hyperpragmatisme zal de atavistische architectuur ‘uit haar bastion verdrijven, haar tradities vernietigen en haar beoefenaren uitroken’. Deze overwinnaarsretoriek is je reinste filosofie met de hamer, toegepast op het departement architectuur.

Wie zijn nu die mensen die zich naar de slachtbank laten leiden? Dat zijn de talloze mensen die nog geloven in dat atavistische vak. Zij menen dat stedebouw nog een discipline is die iets kan betekenen voor de samenleving. Zij geloven in een integratie van maatschappelijke krachten door het scheppen van ‘een prettige leefomgeving’, door het werken aan een materieel kader voor een sociaal contact ‘dat mensen bindt’. Het zijn de mensen die de directeur van het Stimuleringsfonds voor Architectuur Noud de Vreeze onlangs uitgerekend in Koolhaas’ eigen Kunsthal bijeenbracht op het symposium Orde en chaos in de stadsontwikkeling: ontwerpers, beleidsmakers, onderzoekers. Het zijn de mensen die, zonder dat ze het wellicht geheel beseffen, door deze architect ‘dood zijn geridiculiseerd’.
De kritische vragen die men zich in dit vermeende sterfhuis stelde, waren nogal retorisch. Ze stellen is ze beantwoorden. Alle sprekers, alleen al door aanwezig te zijn, deelden de constatering dat we in malaise verkeren. Of je nu naar Koolhaas luistert of uit het raam kijkt, het is zonneklaar dat van een stedebouw die ruimtelijke samenhang biedt al lang geen sprake meer is, een enkel modelwijkje a la Kattenbroek daargelaten. Sterker nog, ook een stedebouw die de ruimtelijke fragmentatie enigszins weet te sturen, is nauwelijks aan de orde. Hoogstens is dat een uitzonderlijk incident dat zich hier en daar voordoet.
Het ligt voor de hand dat de stedebouwers zelf deze incidenten angstvallig koesteren. Hun bestaan hangt er immers vanaf. De makers willen in het algemeen liever niets horen over de armoedige intellectuele en beleidsmatige arbeidsvoorwaarden waaronder zij werken en concentreren zich liever op de concrete problemen van een gegeven opdracht. Hoezeer de Noud de Vreezes in dit circuit ook proberen lering te trekken uit de voorbeelden, de casuistiek wordt zelden ontstegen. En zo krijgt Koolhaas steeds meer gelijk. Het is vechten voor een bedreigde diersoort, maar dan wel in de dierentuin, in de echte natuur is het allang winter.
Toch zijn het niet alleen de stedebouwers zelf die hun positie door gebrek aan probleemscheppend vermogen verzwakken. Ook de adhesie van buitenstaanders is veel te academisch. Zo wilde filosoof Jos Kessels de discussie verhelderen door middel van ‘de socratische methode’. Hij getuigt van een groot geloof in het gelijk hebben, maar feit is dat de nauwelijks voor rede vatbare en uiterst autocratische Rem Koolhaas gelijk krijgt. Om de chaotische ontwikkelingen in de stedelijke periferie wat minder desastreus te doen lijken, schreef theoretisch fysicus S. Bals in de congresbundel dat de chaostheorie, entropie, onzekerheidsrelaties en fractalen ook wisten te overleven, dus waarom de stedebouw niet. M. Bobic en G. Urhahn ten slotte maakten een begeleidende expositie waarin ze stellen dat iedere omgeving een weerslag is van een onderliggende (antropologische) orde, en dat geldt dus ook voor de onze, hoe ergerniswekkend ook.
Het is als met alle formalismen, ze bieden soms troost, zelden ook een oplossing. Het lijkt me vruchtbaarder eens de vraag te stellen wie belang hebben bij Koolhaas, of wie niet bij Noud de Vreeze. En vervolgens te bezien in hoeverre er een debat mogelijk is over die belangen. Uiteindelijk komen we dan tot de fundamentele vraag: kunnen de maatschappelijke keuzen die ten grondslag liggen aan de malaise wel of niet binnen het terrein van de stedebouw worden beinvloed. Ik bedoel: is de stedebouwkundige discipline intellectueel nog in staat om Koolhaas te weerstaan en zichzelf te redden of zal zij luid applaudisserend voor bigness het graf in gaan?

De context op de schroothoop

OMA at MoMA: Rem Koolhaas and the Place of Public Architecture. tot 15 januari Bijna iedereen die op een of andere wijze is betrokken bij de toekomst van de stad, vraagt zich tegenwoordig wel eens af wat er eigenlijk nog te sturen of te besturen valt. Ruimtelijke processen spelen zich nu af op een schaal waarop geen enkel publiek lichaam of discipline nog is toegesneden, laat staan dat een individu nog invloed zou kunnen uitoefenen op meer dan een heldere passage in een rapport, een gedegen bijdrage aan een commissie of een mooi detail op de openbare weg.

Het is zelfs de vraag of de vraag naar de toekomst van de stad zelf niet zinledig is geworden, nu er zich wereldwijd ontwikkelingen voordoen die meer met verstedelijking en markt dan met de oude begrippen stad en collectiviteit te maken hebben. Zowel het idee van een stad als een begrensde morfologische structuur, een urbs, als het idee van een stedelijke gemeenschap verbonden aan een stedelijke cultuur, een civitas, kan in de huidige schaalvergroting van mobiliteit, telecommunicatie en marketing niet worden volgehouden. Stedebouw, kan dat nog? Of is dat eigenlijk meer de decorbouw in een openluchtmuseum geworden?
Tegelijkertijd spreken de vele mensen die bij het proces zijn betrokken, al was het maar omwille van het bewaren van hun geloofwaardigheid en levenslust, zichzelf toe dat ze invloed hebben. Politici, ambtenaren, planologen en natuurlijk de stedebouwers en landschapsontwerpers - ze komen steeds vaker in beraad bijeen, naarstig zoekend naar het antwoord op de vraag of zij er eigenlijk nog wel toe doen. Een politicus, locaal of juist regionaal, ziet het gebied waarvoor hij of zij verantwoordelijk is als zand door de vingers glijden. De ambtenaar van de planologische dienst tekent nog wel mooie kaartjes van te ontwikkelen gebieden, maar moet toegeven dat zo’n dienst daarbij hoogstens nog als adviseur kan dienen. De ‘ruimtelijke wetenschappen’ bloeien als nooit tevoren, maar dragen weinig bij aan de inrichting van de ruimte van morgen. En de ontwerpers ten slotte staan als vormgevers volop in de aandacht, maar niet bepaald als denkers over de condities waaronder zij moeten werken.
Er is een man, ontwerper, denker en geniale bedrijfsleider tegelijk, die alle illusies over maakbaarheid, bestuurbaarheid en plansamenhang heeft opgegeven. Die de voorwaarden waaronder hij werkt wel begrijpt en ze alsnog naar zijn hand zet. Hij heeft naar eigen zeggen de stedebouw doodgeridiculiseerd en in woord en daad ruimte geschapen voor een nieuwe stap in zijn Moderne Project. Dat zijn: het manipuleren van leegte in plaats van het maken van gebouwen, en het overboord zetten van alle idees recues van zijn vak door middel van de pontificale omhelzing van bigness.
Ik heb het over Rem Koolhaas, en hij is met deze houding uitgeroepen tot de nieuwe Le Corbusier. Althans in de Verenigde Staten. In het Museum of Modern Art heeft Koolhaas nu een tentoonstelling ingericht: OMA at MoMA. Een eer die voor weinigen is weggelegd. De expositie wordt begeleid door een overweldigende hoeveelheid publieke bejubeling en opvallend weinig kritiek. Geen, om precies te zijn.
Rem Koolhaas is pas vijftig, een leeftijd waarvan men in de architectuur altijd placht te zeggen dat je het zo’n beetje begint te leren. Maar vakbekwaamheid is voor Koolhaas allang geen criterium meer. Hij is een architect wiens persoonlijke levensvisie samenvalt met de werkelijkheid van nu: bigness. Op zo’n moment ben je bij voorbaat op je hoogtepunt.
Het opvallende feit doet zich voor dat op het moment dat de stedebouw in een stadium van algehele radeloosheid dreigt af te dalen, de man die als messias wordt beschouwd het voor elkaar heeft gekregen dat zijn uitspraak ‘fuck context’ als nieuw evangelie wordt verwelkomd. Hij verwerpt elke historische sentimentaliteit en verkondigt de chaos als verlossing. Met zijn onweerstaanbare drang radeloosheid in winst om te zetten, heeft hij in het voorbijgaan de hele stedebouw maar afgeschaft. Dat is een geniale zelfoverwinning. Maar dat hij met die operatie er tevens in is geslaagd de wereld aan zijn voeten te krijgen, dat is voer voor massapsychologen. En stof voor theologie. (Wordt vervolgd.)

Krotten

Ook altruisme kent zijn nuchtere variant. Een tijd geleden zag ik een documentaire over een kroostrijk Filipijns gezin dat woonde op de vluchtheuvel van de achtbaanssnelweg die dwars door Manilla gaat. Ingeklemd tussen de voortjagende auto’s leefde een groep mensen, deden zij alles wat bij het dagelijks leven hoort. Het huis was niet meer dan een veredelde tent, de meeste activiteiten vonden buiten plaats, op ‘het erf’, op een paar vierkante meter zwaar verontreinigd plaveisel.

Te midden van het voortdurende lawaai van boven de honderd decibel kon dit niet anders dan puur overleven zijn, zonder zin en zonder ziel. Wat kon je in deze smalle marge van de megastad anders doen dan het vege lijf redden? Toch bleek in deze hel nog levenslust mogelijk. De kinderen, met hun geplombeerde porien, hadden ontegenzeglijk plezier in hun spel. De ouders gaven zichtbaar het goede voorbeeld.
De belangrijkste vraag is hoe dit gezin er nu aan toe is.
De belangrijkste vragen worden in onze aandacht voor de ontwikkelingslanden echter nooit beantwoord. De betrokkenheid wordt doorgaans op peil gehouden door alarmerende statistieken. Wanneer wordt ingezoomd op een concreet hopeloos geval, is dat altijd om een grotere misstand aan de orde te stellen. Hoe het verder afliep met al die bijna-doden die op mijn netvlies staan gekrast, zal ik nooit weten. Hun wereldroem bestond alleen bij de gratie van het westerse onvermogen de ernst van de situatie zonder de fotografische inbreuk op hun lichamelijke integriteit in te zien.
De aanpak in deze documentaire was echter anders. Wat duidelijk werd, is dat medelijden met een verschrikkelijk en troosteloos collectief lot tot weinig leidt. Hier werd niet alleen maar vastgesteld dat de wereld rot is en nog eens rot, maar dat mensen een onvoorstelbare energie aan de dag kunnen leggen om er iets van te maken. Hoewel het daardoor wellicht lijkt alsof die omstandigheden dan toch niet zo kommervol zijn, krijg je het vertrouwen dat zelfs gigantische problemen oplosbaar zijn. Als je maar uitgaat van de vitaliteit van de betrokkenen.
Op De verborgen opgave, de afscheidstentoonstelling van Adri Duivesteijn in het Nederlands Architectuurinstituut, valt veel aan te merken. Historische achtergronden worden nauwelijks gegeven, de presentatie glimt te veel, het beoogd publiek is waarschijnlijk eerder te vinden in het Tropenmuseum. Toch is de tentoonstelling (nog tot en met 1 januari) van een aantal voorbeeldprojecten van bescheiden rehabilitatie van krottenkwartieren van Lima, Bangkok, Djokjakarta, Santos en Grahamstown heel opmerkelijk. Het geldt bovenal de strategie van de hoop.
Het lot van de mensen in de slums is niet alleen afgeleide van de macro- economische omstandigheden, maar nog altijd ook deels van hun vrije wil. Wanneer daar de juiste context voor wordt geschapen, met behulp van wat community enablement heet, kan er veel worden bereikt. Dat heeft weinig met esthetische xenofilie te maken, en alles met gerichte assistentie.
Ten tweede bood de tentoonstelling de aanleiding om, eveneens op het NAi, een voorbereidend congres te organiseren ter gelegenheid van de VN- conferentie Habitat II in 1996 in Istanboel. Het zal menige drukbezette Nederlandse architect of stedenbouwer ontgaan waar het morele appel van de expositie vrucht kan dragen, maar de manifestatie bood als geheel wel de mogelijkheid om de Zuid-Zuiddialoog op gang te brengen. Omdat de omstandigheden waarin de slums zich bevinden in veel wereldsteden vergelijkbaar is, is uitwisseling van ervaringen van levensbelang.
Ten slotte krijgen we met de expositie de geloofsbrieven van de man die volgens de wandelgangen als directeur van het NAi was aangesteld om te zorgen ‘dat het gebouw er kwam’. Nu blijkt hij ook pleitbezorger van een habitat voor de mensheid. Dergelijke mondiale ambities leveren in de architectuurwereld vaak wrevel op die ik graag verder ontwikkeld had gezien. Het mag niet zo zijn. Duivesteijn zit nu in de Tweede Kamer.
Aan de andere kant zal er zelden een tentoonstellingsmaker zijn geweest die in de politieke arena zijn idealen zo direct kan waarmaken. Wanneer het Duivesteijn werkelijk ernst is, is hij binnenkort voor Jacques Wallage net zo’n bron van ergernis als Pronk dat is voor Kok. Daar gaan we dus veel over horen, dat kan niet anders. Zou Rottenberg dan toch zijn zin krijgen?