Archive for June, 1995

Het praktische effect van nutteloosheid

Architecture and Legitimacy. NAi Publishers Rotterdam, 119 blz., f19,50 Naar aanleiding van de publikatie Architecture and Legitimacy organiseerde het Nederlands Architectuur Instituut de afgelopen week een studiedag. Al eerder stond dit onderwerp op de agenda van een internationaal congres, dat echter wegens gebrek aan belangstelling moest worden geannuleerd. Gelukkig zijn nu alsnog de beoogde congresbijdragen in boekvorm uitgegeven en kunnen we ons op de hoogte stellen van wat architectuur als legitimatie, en legitimiteit als architectonisch probleem betekenen.

Zolang er modernisering is, is er moderniteitskritiek. En in haar kielzog ook een legitimiteitsprobleem. Moderniteit maakt een eind aan alle vanzelfsprekendheden en daarmee aan wat ‘wettig’ is. Voor de architectuur is deze ontwikkeling extra problematisch omdat ze altijd drager van het gezag was en bovendien een schijnbaar onaantastbare metafoor voor allerlei metafysische systemen. Nu er vragen worden gesteld bij zowel gezag als metafysica, wat blijft er dan over van de legitimiteit van de architectuur?
Tijdens de studiedag werd deze kwestie gepreciseerd. Ten eerste werd de vraag gesteld wat er aan de hand was met de zelfopvatting van de architect, nu deze zijn of haar dogma kwijt is geraakt en zelf moet vaststellen welke waarden het nog waard zijn verbeeld te worden. Ten tweede kwam ter sprake of van de architectuurgeschiedenis nog enige legitimiteit kon uitgaan wanneer ze nog slechts wordt gebruikt als garderobe of grabbelton. Ten slotte werd gesproken over de invloed van ‘de media’ op de betekenis van de architectuur en over de mate waarin dit vak nog een eigen positie zou kunnen ontwikkelen ten opzichte van de almaar toenemende versnelling van nieuw, nieuwer, nieuwst.
De verschillen lagen vooral in de opvatting of deze vragen al dan niet nog relevant zijn. Terwijl organisator Hans van Dijk alleen al door zijn thema’s kleur bekende, bleek een deel der aanwezigen legitimiteit een ’sociaal-democratische preoccupatie’ te vinden. Ofte wel: academisch navelstaren. Het feit dat architecten de hele discussie als overbodig beschouwden, spreekt volgens deze critici ook boekdelen.
De vaststelling van overbodigheid van maatschappijbeschouwing door de verwijzing naar een energieke praktijk waar die beschouwing er niet meer toe doet, is een opvallende wending in het debat. Het is alsof de ornitologie moet worden afgeschaft omdat de beoefening daarvan voor het vogelgedrag toch geen gevolgen heeft. De vraag naar het praktische effect van nutteloosheid is van alle tijden maar heeft de nutteloosheid er nooit van weerhouden grote gevolgen te hebben. Alle maatschappijbeschouwelijke vragen zijn altijd eerst als irrelevante vragen begonnen. Tot zo ver niets nieuws onder de zon.
Toch heeft in de hedendaagse architectuurpraktijk dit onderscheid een nieuwe urgentie gekregen. Het is niet alleen het karakterologische onderscheid tussen denkers en doeners dat hier aan de orde is. De architecten maken zich los van de kritiek omdat ze geen zin hebben steeds te worden geconfronteerd met onmogelijke ambities, vermalen als ze worden in een steeds stringenter bouwregime. Dit regime presenteren ze daarbij liever als een ‘uitdaging’ waar ze het beste van proberen te maken dan dat ze het onderkennen als een destructieve kracht. Het vak moet natuurlijk wel een beetje leuk blijven. Bovendien heeft de kritiek zelf meer oog voor de uitzonderingen, de onbetwiste hoogtepunten, dan voor de omstandigheden waaronder architectuur tot stand komt. Zo ontlopen hemel en hel elkaar op de bouwplaats. Geen wonder dat de kwestie van legitimiteit met wrevel wordt ondergaan, en snel als een linksig atavisme wordt afgedaan.
Wanneer een architectonisch ontwerp steeds meer tot een toevallige verbijzondering wordt van een universele bouwcatalogus, tot een willekeurige exponent van de hyperarchitectuur, is immers alles legitiem. De vraag of dat als een vrijheid of als een morele leegte moet worden gewaardeerd is dan bij voorbaat onbeantwoordbaar.

Virtu-bites

De verbeelding aan de macht! Onder de klinkers het strand! Zevenentwintig jaar later is het dan zover. Dan loop je rond op een beurs die Imagination ‘95 heet. Mei ‘68 met een kapitaalinjectie. De protestgeneratie heeft haar dromen bijna gerealiseerd. Did you ever send a fax from the beach? You will… De verbeelding is big business geworden.Je stapt uit in Utrecht. Eerst Hoog Catharijne. Het openbaar domein beheerst door de logo’s. Dan naar buiten, dwars door het non-descripte tussengebied. De gebouwen als doos, spiegelend, hoekig; de openbare weg prijsgegeven aan prive- verkeer. Dan een marsveld naar de jaarbeurs. Een vlakte, geordend door wat vlaggemasten, reclamezuilen en een enkele plantenbak. Een draaideur, en weer verder. Tweehonderd meter door een linoleumcorridor. Links kantoortjes. Rechts een glaswand met daarachter opnieuw hoekige bouwvolumes. Aan het eind hal 10, de vloer bedekt met tapijttegels.
Tot hier luidde het trefwoord: abstractie. Dat wil zeggen: vul zelf maar in. Maar vanaf het moment dat je Imagination ‘95 betreden hebt, zijn de zaken omgedraaid. Hier draait de bewustzijnsindustrie op volle toeren. De kale, moderne architectuur buiten was ooit bedoeld om de menselijke verbeelding alle kans te geven, maar de mensen hebben die kans niet gegrepen. Daarom worden de zaken nu omgedraaid. De verbeelding word je nu op een presenteerblaadje aangereikt. Want verbeeld zal er worden. Het is verbeelding in de letterlijke zin des woords, de visualisering van meestal niet al te fantasievolle computerprogramma’s en databanken. De verbeelding is uitbesteed. Ze is van een gave tot een produkt geworden.
Het jargon van de multimedia is onnavolgbaar. Zodra ik daarin spreek, haakt u als lezer af. Aan de andere kant zou eigenlijk alleen dit jargon een indruk kunnen geven van de wijze waarop de hapklare brokken van de digitale beeldcultuur aan de man worden gebracht. Imagination ‘95 is een vakbeurs bedoeld voor ‘informatiemanagers, cad/cam-gebruikers en andere professionals’ die het nieuwste zoeken ‘op het gebied van produktie, vormgeving, presentatie en communicatie’. Dat gaat in toenemende mate via het oog want ‘het momentum van visual computing is nu heel sterk aanwezig. Plug-and-play zal steeds meer het motto worden’. Als het niet zo visueel was, zou ik zeggen dat deze boodschap door alle aanwezige bedrijven op hun ‘platforms’ unisono wordt verkondigd.
Voorlopig is er echter unplugged op deze wereld veel meer te beleven. Wie zich bij sommige stands een virtual-reality-helm laat opzetten, ziet een stuk minder dan zonder. De meeste toepassingen betreffen de visualisatie van een elders veel intenser en subtieler te ervaren werkelijkheid. Het diep gevoelde verlangen om de werkelijkheid te controleren door haar 1:1 in scene te zetten, betekent netto steeds een verarming. De virtualisering van de echte wereld staat dan gelijk aan het prijsgeven van de eigen fantasie. Van virtual reality die alleen maar een letterlijke en schematische weergave betreft, vraag je je af wat er nog virtueel aan is.
Interessanter zijn de pogingen nieuwe techniek aan te wenden voor het maken van nieuwe werkelijkheid. Virtual reality die de altijd al virtuele wereld van de fantasie niet vervangt maar aanvult. Een artistieke virtualisering van het sinds mensenheugenis aangeboren vermogen tot virtualiseren. Van dit soort toepassingen waren er meer te vinden op de Multimediale in Karlsruhe (waarover ik de vorige twee weken berichtte) dan op Imagination ‘95. Het jaartal zegt het al: volgend jaar moet je er weer heen voor de nieuwste updates.
De grote vraag is of de computer tot meer in staat is dan beeldeclecticisme en pastiche in een trouble free world. Hoe adembenemend mooi de visualisaties soms ook zijn, er meer van maken dan clips vol met soundbites voor het oog lijkt voor degenen die echt iets hebben te investeren, te hoog gegrepen. Zo blijft kennismaking met het allernieuwste steeds steken in het feest van de herkenning.