Archive for October, 1996

Ontruim de aarde

 
Ontruim de aarde 

De toekomst voorvoelen, de architect als seismograaf. Sensing the future, the architect as seismograph. Zo luidt de titel van de zesde architectuurbiennale die tot en met 17 november in de Giardini te Venetië plaatsvindt.Breeduit over het voorportaal van het Italiaanse paviljoen staan de lijnen van een uitslaande naald, het seismogram van geregistreerde schokken en schokjes. Architectuur op de schaal van Richter. Venetië als epicentrum. De inzendingen, de tentoonstellingen en allerlei randactiviteiten staan in het teken van aardverschuivingen; toen, nu of binnenkort.
Verbazing wekt deze beeldspraak niet. Het ligt voor de hand dat de architectuur grijpt naar rampmetaforen. Waar ook ter wereld is het gesprek over architectuur doordesemd met rampspoed, of op zijn minst met diep ontzag voor de adembenemende krachten die eraan komen. Je kunt geen planpresentatie, vaktijdschrift of discussie volgen of je merkt dat hoog niveau tegenwoordig hand in hand gaat met besef van turbulente ontwikkelingen. Wie zijn architectuur niet baseert op turbulente ontwikkelingen, wordt nauwelijks nog serieus genomen.
En zo klinken in alle architectonische zelfreflecties nu de speculaties op het derde millennium door. Een tijdperk waarin demografische explosies, universele urbanisering, economische globalisering, de ongekende schaalvergroting, de bedreiging van het milieu, de oprukkende digitalisering, enzovoort, met de architectuur zullen spelen als met een stuk wrakhout in de branding.
Hoe seismografisch artistiek directeur Hans Hollein de architectuur ook inschat, wie denkt in Venetië revolutionair nieuwe architectuur aan te treffen, komt bedrogen uit. Er is niets te zien van woningbouwprogramma’s voor de honderden miljoenen die de megalopolen gaan bevolken. Er zijn nauwelijks studies naar wonen in grote dichtheden. Er is zo goed als geen eco-bouw. Geen architectuur die een antwoord is op de exploderende mobiliteit. Zo goed als niets over de mogelijkheden van digitale technologie en de gevolgen daarvan op het maken en beleven van gebouwen. Op niveau van het ontwerp is er, kortom, niets te zien dat doet vermoeden dat de schok van het nieuwe de architectuur al heeft bereikt. Wat met de mond wordt beleden, wordt in de ontwerpen nauwelijks ondersteund. Daar heerst het seismografisch onvermogen.
Ik overdrijf. Natuurlijk zijn er inzendingen die wel degelijk een beeld geven van het rommelen der tijden. In menig paviljoen loop je tegen dooreengeschudde gebouwen aan, uitgevoerd in vorstelijke maquettes. Het paviljoen van Japan is zelf een dooreengeschud gebouw. Maar wat opvalt is dat de architectuur geen werkelijke reactie geeft op al die ontwikkelingen, maar deze ontwikkelingen alleen metaforisch laten zien. Architecten die traditiegetrouw nooit schroomden de mouwen op te stropen, zijn nu een soort illustrators geworden. Zij maken beelden die alleen het verhaal bevestigen. Ze zijn wat dat betreft inderdaad seismografen, maar niet zo als Hollein het bedoeld zal hebben. Gebouwmodellen staan als ontzielde iconen van de grote kladderadatsj op hun mooie strakke sokkels. Gebouwde nabeschouwingen.
Als er al sprake is van een profetisch vermogen dat anticipeert op de aardbeving, dan zou je kunnen zeggen dat de architectuur in Venetië een wereld vertegenwoordigt waaruit de mensen reeds zijn geëvacueerd. Het is druk in de Giardini, maar ìn die gebouwen, op al die foto’s en tekeningen, is geen mens meer te bekennen. Het leven is al lang geleden vertrokken. Wat overblijft, is een goed geconserveerd beeldrepertorium van geprojecteerde historische calamiteiten, terwijl de mensen zelf intussen op zoek zijn naar onderdak. Naar architectuur.
Zo heeft de architect de perfecte oplossing voor de in zijn schoenen geschoven neutrale registrerende functie gevonden. Hij schept geen ruimte, maar ontruimt.

Cyberfamilie

Het Dutch Electronic Art Festival (DEAF) is bezig uit te groeien tot een onmisbare schakel in de ontwikkeling van de meningsvorming over de invloed van nieuwe media. Georganiseerd door V2, plus andere instellingen, werd in Rotterdam twee weken lang op diverse plaatsen geconfereerd, tentoongesteld en opgetreden. Van dans tot architectuur, van muziek tot beeldende kunst. Het onderwerp is inmiddels zo populair dat in de havenstad mooie coalities tot stand komen: allerlei instellingen liften mee op de derde technologische golf.

Toch is er nog steeds sprake van een wereldje. Niet sektarisch meer uiteraard, zoals in de jaren tachtig, toen pionieren nog hand in hand ging met onbegrip bij het publiek. Nu is er sprake van een brede erkenning, steeds meer mensen willen meedoen. Het is echter nog steeds een apart wereldje omdat de aandacht voornamelijk geconcentreerd blijft op formaliteiten, de nieuwe media zelf, en niet op de doelen waarvoor deze middelen kunnen worden ingezet; de inhoud, zogezegd. De mensen in dit wereldje vinden elkaar vooral in een bijzondere fascinatie, los van een culturele positiebepaling. Het geworstel met de techniek, de verbeteringen in rekensnelheid, opslagcapaciteit en uitwisselbaarheid, en natuurlijk de astronomische bedragen die nodig zijn, werken een a priori-solidariteit in de hand die prettig is voor de sfeer, maar ongunstig voor een inhoudelijke verdieping. Wie langs vele technische klippen heeft weten te laveren om iets overtuigends te laten zien, heeft weinig zin om de aard en betekenis van die overtuiging nog eens te gaan betwisten.
Deze situatie is ironisch. Zolang manifestaties op dit gebied nog worden georganiseerd ter vertegenwoordiging (en propaganda) van een klein wereldje, is de nieuwe, grote wereld die met deze media gesuggereerd wordt, nog ver weg. Zolang nieuwe-media-adepten gebonden blijven aan het begrip medium, aan technologie dus, zal de familiesfeer niet worden aangetast. Dat gebeurt pas wanneer er meer nuchterheid is ontstaan over het feit dat nieuwe media slechts faciliteiten zijn. Op dat moment zal het niet meer volstaan bij elkaar te komen om een interessant aspect van het medialandschap te bespreken, want dan is iedereen in dit landschap actief. Pas dan zal het inhoudelijke gesprek ook naar cyberspace kunnen verhuizen.
Of het ooit zover komt is nog steeds onduidelijk. Hoeveel kwaliteit in Rotterdam ook aanwezig is, en hoeveel intelligente projecten er ook gepresenteerd en besproken worden, er valt nog steeds geen zinnig woord te zeggen over de vraag of digitalia ooit vanzelfsprekend worden, een gewone voorwaarde waaronder wij leven, een paradigma dat werkelijk het analoge voorbij is. Maar als het zover is, zullen al die mensen die elkaar nu als clubleden treffen op al die wereldcongressen over cyberspace of in de kolommen van hun cultbladen, elkaar uit het oog gaan verliezen. Het familiekarakter der cybernauten houdt hun historische relevantie tot op heden marginaal. Als de digerati in het centrum van de cultuur neerstrijken, zullen ze hun familiebanden opgeven. Ze hebben dan wel wat beters te doen.
Ondertussen wordt incidenteel de sprong van medium naar inhoud, van instrument naar proces wel gewaagd. V2 onderneemt voortdurend pogingen. Dit jaar was het DEAF gewijd aande relatie tussen de stad en de computernetwerken. Lars Spuybroek, Knowbotic Research, Stacey Spiegel en Kas Oosterhuis hadden in de stad installaties opgesteld waarvan het uiterlijk mede door de input van het Internet werd bepaald. Bij Spuybroek werd bovendien ook het karakter van een Web-site beïnvloed door de activiteiten van ‘het publiek’. De werken vormden een veelbelovend begin van een onderzoek waarin het digitale en het analoge niet langer alleen als parallelle werelden worden gezien, maar elkaar daadwerkelijk gingen beïnvloeden op het niveau van de directe ervaring.